Feature —

Behoud door ontwikkeling of ontwikkeling door behoud?

Annemieke Molster

Monumentale gebouwen zijn soms te redden van de slopershamer door ze te verbouwen of een nieuwe functie te geven. Hoever kun je hierbij gaan? Werkt het in 1999 in de Beleidsnota Belvedere gelanceerde credo: ‘behoud door ontwikkeling’?

Ja, dat werkt. Het kan heel mooi worden, maar soms moet je offers brengen en soms leidt het tot geschiedsvervalsing. Het Arnhemse architectuurcentrum Casa organiseerde 5 februari een avond met als motto ‘behoud door ontwikkeling’. Zes Arnhemse voorbeelden passeerden de revue.

Als eerste het gebouw waar deze avond plaats vond: het voormalige stationspostkantoor van Rijksbouwmeester Peters. Het stond eerst vlak langs het spoor, op het perron van het centraal station, maar paste niet in de nieuwbouwplannen van UN Studio en moest weg. Het pand, of eigenlijk alleen de gevel, werd in stukken gezaagd en herbouwd aan de rand van Klarendal, één van de Vogelaarwijken. Zes bestaande – en deels ook best waardevolle – panden moesten worden gesloopt, maar de wijk kreeg er een ruime entree mét allure voor terug. Volgens de bouwer (Kuiper Bouwgroep) is het net ‘een oud mannetje dat in bad is geweest’. Eigenlijk is het meer een oud mannetje met een nieuw skelet en een facelift, maar het is knap gedaan. De zaagsneden zijn vrijwel niet te zien en als je oppervlakkig kijkt, ziet het eruit alsof het er altijd gestaan heeft. Dat is tegelijkertijd ook het probleem: het gebouw heeft er namelijk nooit gestaan. Om toekomstige generaties niet op het verkeerde been te zetten, moet er misschien maar een bordje bij.

Ook Job Roos van bureau Braaksma & Roos hoopt dat zijn verbouwing van de dansacademie er straks uit zal zien alsof het nooit anders is geweest. Dat wordt nog lastig, aangezien hij door het gebouw heen een steeg moet maken om de routing naar de binnenstad te verbeteren. De incisie komt daarom op de grens tussen de twee panden waaruit de academie bestaat. De bestaande entree wordt gebruikt als toegang tot de steeg. Er moet zo wel iets van het gebouw verdwijnen, maar de ingreep is minimaal en komt op de meest natuurlijke plek. Roos zegt hierover: ‘De vurige tengels van de architect zijn lastig in toom te houden, maar het is bij dergelijke projecten juist de kunst om niet zo zichtbaar sporen achter te laten. Niemand zit te wachten op contrasten tussen oud en nieuw’.

Rijnstraat Arnhem, Nexit architecten. Foto's Thea van der Heuvel
Rijnstraat Arnhem, Nexit architecten. Foto’s Thea van der Heuvel

Addy de Boer van Nexit architecten vindt contrast tussen oud en nieuw juist interessant. Het bureau kreeg de opdracht woningen te bouwen boven een drietal winkels in het centrum van Arnhem. In eerste instantie wilde het bureau oud en nieuw naast elkaar zetten, maar de monumentencommissie vond dat de gevels aan de Rijnstraat moesten worden gereconstrueerd. De nieuwbouw, een soort gele glazen doos met appartementen, werd daarom naar achteren geschoven. Nadeel is dat er geen plaats meer is voor de terrassen uit het oude concept en de bewoners dus geen eigen buitenruimte hebben. De Boers wens om niet alleen te conserveren maar ook nieuwe lagen toe te voegen aan de stad is weliswaar goed uitgekomen. In eerste instantie zie je een historische gevel, passend in het straatbeeld. Pas in tweede instantie zijn ook de nieuwe woningen zichtbaar. Het wordt niet nep, er is alleen iets bijgekomen op een plek waar het niet stoort maar juist verrast.

Bij de drie andere gebouwen die deze avond aan bod kwamen was er geen sprake van offers brengen of van discutabele toevoegingen. Het ging bij deze projecten vooral om strippen en oppoetsen. De tot appartementen verbouwde lagere school van Hoogte Twee architecten is vrijwel helemaal intact gelaten. De ontwerpopgave bestond volgens architect Peter Groot voornamelijk uit het ontwerpen van een paar trappen en het op een slimme manier plaatsen van de badkamer. Maarten Fritz, de architect die het Arnhemse Luxortheater verbouwde, werkte alle techniek weg in een extra schil die volgens hem gemakkelijk weer kan worden weggehaald als dat later nodig blijkt. Het originele gebouw van architect Willem Diehl kan zo ook in de toekomst de basis zijn voor volgende verbouwingen of aanpassingen aan de tijd.

Het zesde voorbeeld betrof het jaren zeventig kantoor waarin Arcadis is gehuisvest. Pros ten Hove van Arcadis heeft het gebouw – bijzonder door de plastiek in de gevel en het uitzicht – in feite ook gestript en opgepoetst. Ten Hove liet het gewassen grindbeton van de trappenhuizen in het zicht, omdat hij denkt dat alles uiteindelijk weer hip wordt.

Komt alles inderdaad terug? We waarderen een bijzondere gevel, de details van een dansacademie, de ruime maten van een school, een cassetteplafond in een theater en ga zo maar door. Misschien waarderen we over een tijdje zelfs gewassen grindbeton. Maar de lage plafonds van het Arcadis-kantoor zullen gebruikers nooit echt blij maken. Honderden van deze flats met een slechte betonkwaliteit doen dat ook niet. Wat blijft is vakmanschap, duurzame materialen en ruimte. Gebouwen met deze eigenschappen zijn de moeite waard om te behouden. Om met gevoel te worden behandeld en niet te worden mismaakt of overschreeuwd door nieuwe toevoegingen. Als het nodig is daarvoor iets op te offeren – de originele plek, een stukje van het gebouw of een iets minder functionele nieuwbouw – het zij zo. De gepresenteerde voorbeelden bewijzen dat behoud door ontwikkeling heel goed kan uitpakken.  Of gaat het hier toch, zoals Job Roos beweert, om ‘ontwikkeling door behoud’?