Feature —

Museumplein Amsterdam: op de schop of renovatie

Marieke Berkers

Nog geen tien jaar na de oplevering van het Museumplein, ontworpen door de vorig jaar overleden Deen Sven-Ingvar Andersson, zint de gemeente op herinrichting. In 2009 moet het project zijn afgerond. Tijdens een drukbezochte discussie georganiseerd door de Academie van Bouwkunst werd de balans opgemaakt. Moet het plein rigoureus op de schop of volstaat een zorgvuldig uitgevoerde renovatie?

‘Plein der Plannen’, zo wordt het Museumplein wel genoemd. Het is nog onbekend wie binnenkort aansluit in het rijtje Van Niftrik, Cuypers, Van Eesteren en Andersson, maar dat er iets moet gebeuren met het plein staat volgens de gemeente buiten kijf. Aanleidingen voor de herinrichting zijn overwegend anticiperend van aard. Allereerst zijn er de drie grote musea die zich heroriënteren. Al jaren liggen ze met hun logge ruggen naar het plein gekeerd, maar weldra zullen de drie musea zich met nieuwe (extra) publieksingangen meer gaan richten op de pleinzijde. Mede door deze ontwikkelingen doet de gemeente de prognose dat het bezoekersaantal van het plein in de komende tien jaar van drie naar maar liefst zes miljoen bezoekers zal groeien. Deze mensen moeten worden voorzien van voldoende faciliteiten. Daarnaast speelt het Museumplein met haar toekomstige ligging aan de Noord-Zuid lijn en temidden van drie belangrijks stadsdelen, een strategisch rol in de ambitie van het gemeentebestuur om van Amsterdam een Metropool te maken. Om met het jargon van de Metropooldenkers te spreken, moet het plein meer uitstraling krijgen en een gastvrijer karakter. Anders geformuleerd: het plein behoeft een ziel! Iets waar het de plek volgens menigeen al jaren aan schort, en iets dat overigens niets te maken heeft met welk metropooldenken dan ook. Tot slot is er nog een hele rits concreet aan te wijzen problemen zoals een lichtlijn die het nooit doet, het sleets raken van de grasmat na drukbezochte evenementen, of manco’s in het drainagesysteem waardoor het veld na regenachtige dagen steevast transformeert in een zompige weide.

Maarten Kloos, directeur van het Amsterdamse architectuurcentrum Arcam, stelde dat de moeilijkheid van de opgave niet zozeer ligt in het aanwijzen van de problemen rond het plein, ‘als gemeente kun je in één week op tafel hebben wat er moet gebeuren.’ Knelpunten zijn met name te vinden in de randen van het plein. Neem de locatie van de uitgang van de parkeergarage. Een overduidelijke dissonant in het strak opgezette ontwerp die bovendien een gemene lus oplevert in het fietstracé. Andersson heeft de uitgang overigens nooit op deze plek gewild. De Deen wees naar de overkant van de Van Baerlestraat als gewenste locatie. Deze mogelijkheid verviel op het moment dat het Concertgebouwplein uit het plangebied van het Museumplein werd geschrapt. Bij de geplande herinrichting van nu doet de gemeente er goed aan alsnog de raad van Andersson op te volgen en het Concertgebouwplein bij de renovatie te betrekken. Een ander struikelpunt is het ‘ezelsoor’ waaronder de grootste grutter van het land is gekropen en het Stedelijk Museum de zon uit de ogen houdt. Weg met die verhoging! Zorg voor een adequate aansluiting van het plein met de nieuwe vleugel van het Stedelijk Museum. Wijs vervolgens een andere plek aan op het plein die in de zomermaanden als verblijfplaats kan dienen, maar houd tevens in het achterhoofd dat de transformatie van de musea gevolgen heeft voor de levendigheid van de Paulus Potterstraat. Ten slotte geldt de zuidwestelijke rand van het plein als probleemzone. Het kavel dat is gelegen tussen de Van Baerlestraat en de Gabriël Metsustraat trekt zich op dit moment amper iets aan van het Museumplein. Het gemis aan horecagelegenheden zou hier opgelost kunnen worden. Met het meer levendig maken van deze rand ontstaat bovendien ook een gezonder evenwicht voor het plein wat bezoekersspreiding betreft, aldus Kloos.

De vraag rijst of Anderssons ontwerp niet ruimte had moeten bieden aan dynamische, turbulente stedelijke processen. Is het ambitieniveau voor het plein zo hemelhoog gestegen dat het plein serieus heringericht dient te worden? Of is het plein ten prooi gevallen aan een hoop gesteggel en ongelukkige compromissen, kenmerken van het polderdenken dat in de jaren negentig hoogtij vierde? Feit is dat het ontwerpproces niet als bijzonder soepel te boek staat. Zo waren er de museumdirecteuren die luidruchtig hun eigen ideeën uitten over de vormgeving van het Museumplein. Het ging immers om hun achtertuin. Rudi Fuchs bijvoorbeeld was verbijsterd over het idee van Andersson om zijn nieuwe vleugel onder een opgetilde grasmat ‘weg te stoppen’. In plaats van een in het plan opgenomen bedekt Stedelijk Museum hebben we nu te kampen met een bedekte supermarkt en een ongelukkig opgeloste zuidwesthoek. Daarnaast werd de discussie of het plein wel of niet volgebouwd moest worden niet beslecht. Deze kwestie vergde de nodige aandacht; aandacht die ten koste ging van vormgevingskwesties. Ook moest er een tijdje flink gepolderd worden over de vraag of er nu wel of niet een mega ondergrondse parkeergarage moest komen. Misschien kon het ontwerp van Andersson wel niet duurzaam zijn en heeft het resultaat van destijds met name gefungeerd om een veranderingsproces op gang te brengen dat hopelijk nu, tien jaar later tot een goed einde gebracht gaat worden.

Tenminste als de grondbeginselen deugen. ‘Als in hemelsnaam wordt gezorgd voor een budget waarmee werkelijk wat kan gebeuren, want wacht anders met herinrichten,’ aldus stedenbouwer Rein Geurtsen. En als er een zwaargewicht wordt aangewezen die de regie van de herinrichting op zich neemt, vulde Kloos aan. De veelgehoorde klacht dat het plein geen ziel heeft moet ook worden aangepakt en dat vergt meer talent dan het hanteren van een reparatiekit. Kloos benadrukt dat hier sprake is van een grootstedelijke opgave. ‘Laat de klus niet over aan het stadsdeel.’ De algemene teneur van de avond was: gemeente pak het nu serieus aan en maak er wat van! Het Museumplein wordt namelijk niet voor niets ook het ‘Plein der Gemiste Kansen’ genoemd.