Feature —

Nieuwe pleinen in de stad

Like Bijlsma

Op 17 januari werd in het NAi uitgebreid gedebatteerd over de publieke betekenis van schoolpleinen. In een afgeladen zaal spraken Ton Notten, lector ‘Opgroeien in de Stad’ bij de Hogeschool Rotterdam, en architecte Marlies Rohmer over de mogelijkheden en onmogelijkheden van een ‘open’ schoolplein.

Een aantal decennia geleden werd de shopping mall ontdekt als het nieuwe publieke domein van de netwerkstedeling. Niet alleen de straat, het plein en het park waren belangrijke stedelijke plekken, ook privaat beheerde winkelpleinen bleken een publieke betekenis te hebben. Deze gebouwtypes werden in een aantal gevallen doelbewust ingezet om de stad te verbeteren. De Rotterdamse koopgoot is een goed voorbeeld van zo’n project: een innovatief winkelgebouw dat tegelijkertijd nieuwe stedelijke verbindingen legt. De discussie over de relatie tussen het publieke domein en de architectuur is sindsdien nog breder geworden. Tegenwoordig is in Nederland ook de school onderwerp van gesprek.

Door schaalvergroting en organisatorische veranderingen in het onderwijs is het van oudsher besloten karakter van de school opengebroken. Het onderwijs speelt in toenemende mate in op veranderingen in de maatschappij. Veel scholen gaan een dialoog aan met de buurt. Daartegenover staat dat scholen in fysieke zin steeds meer afgesneden worden van hun omgeving: omgeven door groenzones, grachten of hekken liggen zij steeds meer als geïsoleerde eilanden in de wijk. Vooral bij recent gebouwde scholen, die een schaalvergroting hebben ondergaan, is deze tendens zichtbaar. Deze lijkt zich te voltrekken onafhankelijk van de context en is zowel in stedelijke, suburbane als in landelijke omgevingen waarneembaar. De vormgeving en de begrenzing van het schoolplein tonen de openheid naar het publiek: nodigt het uit tot verblijf, is het omgeven door hoge hekken of slechts lage banken?

Ton Notten typeerde het schoolplein als publiek domein, een door gebruikers toegeëigende plek en lieu de memoire dat als baken van stedelijke identiteit fungeert. Het schoolplein kan volgens hem een belangrijke betekenis voor de buurt of de wijk krijgen. Dit is alleen mogelijk als de identiteit van het plein niet door een enkele ontwerper opgelegd is, maar in een proces ‘ontstaat’, in samenspraak met schoolbestuur, bewoners en andere belanghebbenden. Hij noemde een aantal voorbeelden van ‘geslaagde schoolpleinen’: pleinen die bijvoorbeeld bestaan uit trappen, of gedeeltelijk een tuin zijn; pleinen die enerzijds aan de buurt een ‘gezicht’ geven en tegelijkertijd ook voor verschillende soorten gebruikers interessant zijn.

Marlies Rohmer voegde een interessante nuancering toe aan de stelling van Notten. Volgens haar is de stedelijke inbedding van het schoolplein afhankelijk van de complexiteit en schaal van de opgave. Rohmer ziet onderscheid tussen enerzijds het hoger en voortgezet onderwijs, dat aantakt op de grootschalige stedelijke netwerken en anderzijds het basisonderwijs dat veel meer een buurtfunctie heeft. Deze twee typen scholen ontwikkelen tegenovergestelde ruimtelijke strategieën. Het hogere onderwijs zal als onderdeel van een zogenaamde Multi Functionele Accommodatie (MFA) meer functies naar binnen zuigen. Voor de basisschool ligt het openen van het schoolplein naar de buurt juist meer voor de hand.

Rohmer baseert de vormgeving van haar schoolpleinen op de speelplekken van Aldo van Eyck, die in de jaren zestig een aantal braakliggende terreinen inrichtte met eenvoudige betonnen en stalen elementen. Rohmer: ‘Die plekken waren niet in compartimenten opgedeeld. Alle leeftijdsgroepen speelden door elkaar. Tegenwoordig worden verschillende leeftijden in 'hokjes' gestopt, die vervolgens letterlijk, bijvoorbeeld als sportkooi, worden neergezet.’ In plaats van het denken in kooien en speeltoestellen stelt Marlies Rohmer het ontwerp van specifieke plekken voor. ‘De ruimtelijkheid van het plein, de contrasten tussen open en gesloten, licht en donker, zijn belangrijker dan de toestellen die erop staan. Het plein moet een integraal onderdeel zijn van de school. De ruimtelijke koppeling tussen buiten en binnen is van essentieel belang voor het ontwerp. Dit kan als het gebouw zelf een plein wordt door bijvoorbeeld het gebouw beklimbaar te maken of een openbare ruimte binnen het gebouw op te nemen.’

Als het plein een duidelijke ruimtelijke identiteit heeft kan de inrichting flexibel zijn. Dat kan volgens haar op twee manieren: de gebruikers kunnen zelf de inrichting bepalen, maar ook de ontwerper kan elementen bedenken die flexibel gebruik toestaan. Rohmer ontwierp zelf bijvoorbeeld ‘sportgordijnen’ die weggeschoven kunnen worden als de bal uit het zicht is en zwerfkeien die zowel als zitplaats, speeltoestel of verstopplek dienst kunnen doen. Ook is het belangrijk om iedereen een plek te bieden. Rohmer liet als voorbeeld een dug-out zien waar ouders even beschut op hun kinderen kunnen wachten.

Het ontbreken van een serieus Programma van Eisen is volgens Marlies Rohmer het grootste probleem voor het ontwerp, naast het feit dat het schoolplein meestal een sluitpost in de begroting is. Er wordt niet structureel nagedacht over het gebruik ervan. Daardoor is het beheer ook vaak een probleem, waarbij de bal heen en weer gekaatst wordt tussen overheden, schoolbesturen en buurtbewoners. Naast nieuwe gebouwconcepten zijn vooral nieuwe financiering- en beheerconcepten nodig bij het openbreken van het schoolplein.

Tijdens de discussie bleek dat er geen eenduidig antwoord te geven is op de publieke status van het schoolplein. Ten eerste is betwistbaar of het werkelijk een publiek domein is, omdat het in feite door een beperkt aantal groepen gebruikt wordt. Ook verschilt de betekenis van het plein per buurt, zoals bleek uit het onderzoek van Henk Döll en Aleid van Doorn. Daarnaast kan het schoolplein vele vormen aannemen, van eenvoudige buitenspeelplek tot multifunctionele hal. Het kleinschalige basisschoolplein, gelegen in een woonbuurt, heeft de meeste kans om het publieke leven op te nemen en een schakel te vormen tussen de openbaarheid en de beperkte gebruikersgroep van de school. Het initiatief van Premsela en SKOR, medeorganisatoren van deze discussie, om een project op te starten over de verbetering van het basisschoolplein, is daarbij een schot in de roos.

Hoe grootschaliger, complexer en meervoudig het programma, des te minder publiek het plein zal zijn, omdat alleen bepaalde, aangewezen gemeenschappen er op vastgestelde tijden gebruik van zullen maken. Fysiek lijkt dit type plein naar het interieur van de school te verschuiven en ligt een verknoping met de openbare ruimte niet voor de hand. Om een structurele bijdrage aan de stad te kunnen leveren is meer nodig dan het stapelen van programmaonderdelen en het combineren van activiteiten. Het wachten is op de eerste Multi Functionele Accommodatie die serieus als stedelijk knooppunt opgevat zal worden, in de traditie van de eerder genoemde shopping mall. Tot nu toe verschijnt dit schooltype echter vooral op geïsoleerde locaties in de wijk.