Feature —

Architectuurgeheugen van Nederland grotendeels in sluimerstand

Joosje van Geest

Het NAi beschikt over het grootste openbare architectuurarchief ter wereld. Deze collectie is oorspronkelijk aangelegd voor en door architecten. Tegenwoordig komt er zelden een architect in het archief. Moet het NAi op dezelfde wijze doorgaan met verzamelen terwijl de doelgroep al lang is afgehaakt? Wat is de toekomst van het enorme archief waarvan driekwart zelden wordt geraadpleegd? Conservator Jean-Paul Baeten gaf op 21 februari een lezing over het hoe en waarom van het verzamelen van architectuurarchieven en toonde de acquisities van 2007.

De oorsprong van de collectie van het NAi ligt in de professionalisering van het architectenvak, in het midden van de 19e eeuw. De verzamelactiviteit was er vooral op gericht het eigen vak te legitimeren. Het streven naar een musealisering van het architectenarchief was een statement waarmee de centrale positie van de architect als regelaar in het bouwproces werd onderstreept.

Vanaf de jaren vijftig vielen geschiedenis en ontwerp in Nederland uiteen. Binnen de bouwpraktijk en in het ontwerponderwijs verflauwde de aandacht voor het werk van vorige generaties. Tegelijkertijd kwam architectuurgeschiedenis op als academische discipline. De beroepscollectie kwam in handen van historici en de aandacht verschoof naar het documenteren van de gebouwde omgeving. Terwijl architectuurgeschiedenis uit het ontwerponderwijs werd wegbezuinigd, investeerde de overheid vanaf de jaren tachtig wel in de oprichting van een architectuurmuseum. Hier werden ook de architectuurarchieven ondergebracht. Daarmee is de verbijsterende situatie ontstaan dat we in ons land over een enorme openbare architectuurcollectie beschikken terwijl onze architectuur en gebouwde omgeving nauwelijks van geheugen getuigen.

Terugblikkend is het problematisch dat er vanaf de jaren vijftig geen heldere doelstelling is geformuleerd voor het verdere acquisitiebeleid, aldus Baeten. De interesse van de architect in zijn beroepsgeschiedenis nam af terwijl het architectuurarchief steeds verder groeide. Er bestaat al decennialang geen eenduidigheid over wat het NAi nu eigenlijk documenteert, wat de plaats ervan is en wat ze er mee wil doen. De collectie bevindt zich in een voortdurende identiteitscrisis. Want hoewel het archief inmiddels een architectuurhistorische exercitie is geworden bestaat driekwart van de collectie uit technische tekeningen. Historici kunnen deze tekeningen doorgaans nauwelijks lezen en begrijpen en architecten komen zelden om deze te raadplegen. Daar komt nog bij dat het ontbreken van een theoretisch kader node wordt gemist. Een brede ideeëngeschiedenis, zoals de boeken van Auke van der Woud bieden, zijn essentieel om een evenwichtige beroepscollectie aan te kunnen leggen.

Toch kan je stellen dat de huidige verzameling een min of meer afgerond geheel vormt van de architectuur en van de positie van de architect in de twintigste eeuw. De vraag is nu: wat is de toekomst en hoe moet het verder met de NAi-Collectie? Waarbij opgemerkt moet worden dat een log apparaat als het archief geen radicale koerswijzigingen kan maken. Kan de relatie tussen de architectuurgeschiedenis en het ontwerponderwijs worden hersteld zodat de dossiers ook inderdaad weer door architecten en studenten geraadpleegd worden? Het ideaal is dat de collectie en de brede ideeënwereld die hierin verborgen ligt ook door hen wordt bestudeerd. Een andere vraag is of de collectie verder moet worden uitgebreid met hedendaags werk en hoe. Wat zijn bijvoorbeeld de gevolgen voor het archief van de afnemende rol van de architect binnen het bouwproces? Moeten andere bronnen worden geacquireerd, zijn andere manieren van verzamelen en ontsluiten nodig? Zou een keurcollectie van goede voorbeelden wellicht een beter alternatief vormen? En wat te doen met de afnemende bereidheid bij architecten om materiaal te bewaren? Het is kortom de hoogste tijd voor een debat hierover met de verschillende betrokken partijen.

Binnen het NAi wordt op tal van manieren gewerkt aan verdergaande professionalisering van de collectie. Acquisitieplannen worden opgesteld en er is een integraal zoeksysteem in ontwikkeling waarbij in de gehele collectie – dus niet langer beperkt tot de afzonderlijke archieven – gezocht kan worden. Onderzoek en publicaties worden ondersteund of geïnitieerd en in tentoonstellingen wordt archiefmateriaal geëxposeerd. Ook worden veel archiefstukken van het NAi in bruikleen genomen door andere musea.

Met de oprichting van het NAi in 1989 is een mentaliteitsverandering in gang gezet waarbij het belang van de architectuurgeschiedenis wordt onderkend. Bij tal van (gemeente)-archieven worden bijvoorbeeld architectenarchieven opgenomen en met Belvedère wordt het belang van cultuurhistorie voor de toekomstige inrichting van Nederland onderstreept. Ook zijn er aanzetten om het ontwerponderwijs met archiefonderzoek te combineren zoals in de afstudeerateliers van Bernard Colenbrander aan de TU/Eindhoven.

Vrijwel alle nieuwe aanwinsten van 2007 zijn evenals voorgaande jaren aangeboden door architecten(bureaus). Veel aangeboden materiaal wordt door de archivarissen van het NAi afgewezen. Maar op welke gronden dit precies gebeurt, is deze avond onduidelijk gebleven. Uit het verhaal van Baeten blijkt in ieder geval wel dat er met kennis van zaken en met ouderwets fingerspitzengefühl ook dit jaar weer veel interessant materiaal is verworven. Gaat dat zien!