Recensie —

Bidprentjes voor Rotterdam

Allard Jolles

De Rotterdamse ontwerper en fotograaf Bas Princen heeft op uitnodiging van de eveneens Rotterdamse kunstinstelling Witte de With zijn woonplaats gefotografeerd. De opdracht was om voor uitnodigingskaarten en seizoensbrochures van Witte de With een serie foto’s te maken die het ‘achterhaalde idee van de non-place ter discussie zou stellen’.

De serie is nu in een sjiek vormgegeven boekje terechtgekomen; in totaal gaat het om 44 foto’s onder de veelzeggende noemer Rotterdam. De foto’s worden begeleid door een kort verhaal van Christophe van Gerrewey, met het mooie Perifere pelgrimages als titel.

Kijk, wie loopt daar op de Maasvlakte? Kijk, wie gaat daar, door Noord? Het is Bas Princen met zijn fototoestel, op bedevaart naar (en door) de periferie. Wie op bedevaart gaat, heeft een doel: boetedoen of om een gunst bidden. De pelgrim is te voet op weg naar een heilige plaats. Geen plek is zo bepaald als een bedevaartsoord, zou je haast denken. En geen plek zo onbepaald als ‘de periferie’. Is ‘periferie’ hetzelfde als non-place? Die laatste term, gemunt door Marc Augé in zijn in 1995 verschenen boek Non-Places: Introduction to an Anthropology of Supermodernity Examples, wordt vaak vertaald als ‘plek zonder betekenis’, met als voorbeeld een vliegveld of een snelweg. De definitie van Augé is net even anders en het verschil met de korte uitleg is klein maar veelbetekenend. Non-places zijn volgens hem twee verschillende maar complementaire realiteiten. Aan de ene kant zijn er de ruimtes, gemaakt voor specifieke functies (verkeer, transport, commercie, vrije tijd), en aan de andere kant is er de relatie die het individu onderhoudt met deze ruimtes. Nu gaat het natuurlijk om de mate waarin die specifieke functie aanwezig is op de plek, en de mate waarin het individu zich daar, zonder de eigen identiteit te verliezen, kan ophouden. Een bepaald punt op de snelweg is natuurlijk een plek in de letterlijke zin; maar wie daar zomaar plompverloren gaat staan – en dan bedoel ik niet in de file – wordt doodgereden.

De term non-place is op geen van de gefotografeerde locaties van toepassing. Daarom is die op het oog paradoxale titel van de woordenstroom van Van Gerrewey ook zo op zijn plaats. De periferie als heilig reisdoel; de rafelrand van Rotterdam als het Lourdes van Princen en de foto als bidprentje van de stad.

De tekst van Van Gerrewey is overigens matig leesbaar. ‘Het was acht jaar geleden dat ik in Rotterdam overnacht had. Dat begon te veranderen toen ik in de zachte zomer van 2007 enkele maanden in Brussel woonde…’ Voor mij onbegrijpelijk. Wat begon te veranderen? Dat het acht jaar geleden was? Gelukkig biedt de Engelse vertaling uitkomst. Het lijkt erop dat Van Gerrewey zijn tekst heel snel en in één lange sessie geschreven heeft, en dat de vertaler meer tijd heeft gehad. Wat verder stoort, en dat is wellicht belangrijker, is dat Van Gerrewey op alle plekken die Princen laat zien iets laat gebeuren. Zo valt van de foto op bladzijde 22 niet meer te genieten zonder te denken aan de ruim tachtig jaar oude mevrouw Sauvageot uit het verhaal van Van Gerrewey. En ik wil helemaal niet aan oude Brusselse vrouwen denken als ik naar die prachtfoto kijk. Aan de andere kant: zo laat je ook in tekst zien dat iedere plek, hoe ‘non’ ook, voor iemand of iets van betekenis is of kan zijn. En dat is ondanks alles toch een verademing ten opzichte van de obligate teksten die in de meeste fotoboeken het gepresenteerde werk proberen te duiden.

Conclusie: ‘non-places’ bestaan niet, ook niet in de periferie; iedere plek heeft wel op zeker moment betekenis voor een zeker individu. Dit gegeven weet Princen keer op keer in schitterende platen te vangen. Die foto’s had ik graag wat groter gehad; zo is het af en toe wel erg turen naar vogels op witte heuvels. Tot slot de meesterlijk foto op bladzijde 33, die wat mij betreft in een klap de essentie van het boek samenvat. We zien een rechtopstaand stuk wegdek, genomen vanaf een ventweg naast een snelweg, waar de fotograaf kan staan dankzij het feit dat de brug open staat. De functie verkeer is tijdelijk opgeheven; het individu kan zijn slag slaan. In Augé-taal: één van de twee realiteiten is opgeheven. Die brug ook, trouwens. Deze foto had op de kaft gemoeten. Deze foto maakt verder schrijven overbodig.