Feature —

De koers van de stad

Joost van den Hoek

In het mooie onderkomen van Arcam is het museale vlugschrift De koers van de stad te zien. Hoe ziet de toekomst van Amsterdam eruit? Wordt het inderdaad een ‘global capital of creativity’ zoals de stadsbestuurders graag willen, ontstaat er een Eurabische provinciestad zoals sommige futurologen voorzien of spreekt men zich hier niet over uit?

Als je de ambitie hebt om iets te zeggen over de koers van de stad, welke gegevens uit de wereld van bijvoorbeeld economie, techniek, demografie, klimatologie of politiek kies je dan als vertrekpunt? Neem bijvoorbeeld een van de beroemdste en succesvolste stadsplannen uit de geschiedenis, het 'Plan of Chicago' (1908) van Daniel Burnham. In dit plan is veel voorzien, maar de skyline met een plethora aan 's werelds beroemdste en hoogste gebouwen, waarvan toch iedereen zal zeggen dat deze elementair is voor de identiteit van het huidige Chicago, ontbreekt. Blijkbaar ging de ontwikkeling van de bouwtechniek en de economische schaalvergroting zelfs het voorstellingsvermogen van visionaire geesten als Burnham te boven. Dat koffiedikkijken naar de toekomst vaak waanbeelden oplevert, zeker als hier geen reële uitgangspunten vanuit demografie, economie en vooral ook bestuur aan vooraf gaan, heeft weinig onderbouwing nodig. Kijk bijvoorbeeld ook naar de bibliotheek vol scenario´s die de afgelopen decennia voor de Randstad zijn geformuleerd. Daarvan heeft geen een de huidige wezenloze werkelijkheid van bedrijventerreinen en vinexwijkjes als streefbeeld.

Toch is het in gezamenlijkheid studeren en praten over de toekomst een activiteit waar menig professional bij overheid en bedrijfsleven een goede boterham aan verdient. Zeker als de tijdshorizon beperkt blijft tot een jaar of tien valt er, gezien de realisatietermijn van stadsontwikkelingsprojecten (als de Noord/Zuidlijn) van vijf tot tien jaar, wel wat te zeggen over 'de koers van de stad'. Kijken we meer dan tien jaar vooruit, dan wordt het gaandeweg lastiger om nog iets zinnigs te beweren. Bij Arcam zijn directe overwegingen van economische, demografische, technische en politieke aard terzijde geschoven. Vergezichten van overheidsplanners zijn als uitgangspunt genomen voor de ontwikkeling van de stad tot – niet al te bescheiden – 2040. Het resultaat is een hele aardige tentoonstelling die in een intieme setting ontwikkelingsperspectieven voor Amsterdam toont langs een tijdsbalk van 2008 tot 2040.

De boodschap die de tentoonstelling aflevert komt luid en duidelijk over. Amsterdam transformeert van een stad binnen een ring, naar een metropolitane regio. De ontwikkeling van dit metropolitane bouwwerk wordt gebaseerd op – alle netwerktheorieën ten spijt – een lobbenmodel. Met de Dam als middelpunt, van waaruit de reeds bestaande lobben via de grachtengordel middels een infrastructuur van snelweg en spoor in de richting van respectievelijk Utrecht, Amstelveen, Haarlem en Amsterdam Noord lopen. De belangrijkste opgave tot 2040 lijkt te bestaan uit de ontwikkeling van de lobben naar Schiphol langs de Noord/Zuidlijn en de Zuidas, de lob naar Almere met de latere fasen van IJburg en een dubbelstad voor de kust van Almere. De meest verrassende bijdrage aan de tentoonstelling is wellicht de lob naar IJmuiden via het Noordzeekanaal. Voorwaar een gebied met ruimtelijke mogelijkheden, ware het niet dat de ruggengraat van deze lob niet gevormd wordt door een combinatie van snelweg en spoor, maar door een kanaal.

Het geschetste raamwerk lijkt verstandig, al is het de vraag of bijvoorbeeld het aanplempen van de kust voor Almere, gezien de enorme afmetingen van de Flevopolder, wel zo noodzakelijk is. De grote vraag die deze tentoonstelling oproept is natuurlijk hoe al deze lobben er uit gaan zien op gebiedsniveau en welke mensen en bedrijven zich er zullen vestigen. Het enige beeld dat regelmatig terugkomt op de tentoonstelling is het nieuwste stuk Zuidas langs de Beethovenstraat, in deconstructivistische stijl ontworpen door het Deense Bureau HLA. Waarschijnlijk is de grote opgave voor de komende decennia het vormgeven van de stedelijke milieus binnen de nieuwe lobben, op een wijze die zich vooruitkijkend in de 21e eeuw losmaakt van overheidsgeleide ontwikkelingsmodellen en een modernistische esthetica die vandaag de dag nog vaak de overhand hebben.

Toch blijven een aantal vragen knagen. Is zo’n brave, politiek weinig aanstootgevende lobbenstad, zoals bijvoorbeeld voorzien in de nota Bestemming Amsterdam, geoptimaliseerd voor de creatieve industrie, een weldoorvoede middenklasse en rijke Aziatische toeristen, nu werkelijk de enige juiste ontwikkelingsmogelijkheid? Indien de dynamiek van het huidige tijdsgewricht als uitgangspunt wordt genomen, waarin door krachten van globalisering nationale symbolen als ABN AMRO worden opgedoekt en door een significante verandering van de bevolkingssamenstelling de aard van cultuur en economie radicaal verandert, zou zich misschien een geheel andere stedelijk toekomstbeeld kunnen ontvouwen. Wellicht moeten we ons voor wat prikkelende visies tot andere partijen wenden. Hoe ziet de toekomst van Amsterdam er bijvoorbeeld uit volgens trendwatcher Adjiedj Bakas, de CEO’s van het Amsterdamse bedrijfsleven of de Unie van Moskeeën?

Het is evident dat Arcam zich over grote demografische, economische, culturele en technologische kwesties niet uitspreekt en zich beperkt tot wat de planners in ruimtelijke zin als aannemelijk beschouwen. Dat neemt niet weg dat de tentoonstelling in al zijn bescheidenheid wel een aardige aanzet geeft tot debat. Wie de toekomst kan voorspellen wordt gigantisch rijk en op de lange termijn zijn we er niet meer, maar vooralsnog wachten ons interessante tijden. Op naar 2040!