Feature —

De stad als monster

Stijn Hooijer

Platform GRAS nodigde voor een serie openbare colleges docenten van de Rijksuniversiteit Groningen uit om vanuit hun eigen vakgebied te vertellen over de stad. Mary Kemperink, hoofddocent Moderne Nederlandse Letterkunde, sprak op 27 februari over de literaire representatie van de stad in het fin de siècle (1885-1910), onder de prikkelende titel: Een smerige verleidster.

Amsterdam staat in haar betoog centraal, als een stad die – net als andere Europese steden – in de tweede helft van de negentiende eeuw enorm groeide. Kemperink ziet in de benadering van deze stad een tweeledigheid die past binnen het gedachtegoed van het fin de siècle. Enerzijds vertrouwde de mens in die tijd blind op de vooruitgang, maar tegelijkertijd heerste er angst voor het ongewisse. Hieruit volgde dat de stad niet alleen werd gezien als het centrum van het moderne leven, maar ook als een poel van verderf.

Kemperink schetst hoe de lage klasse leefde in het Amsterdam van de negentiende eeuw. De armen woonden in krotten, die erg klein, nat en koud waren. Overal stonk het door ongedempte grachten en vuilnis op straat. Het moet een verademing zijn geweest toen het stadsbestuur hier aan het einde van de negentiende eeuw verandering in bracht. Grachten werden gedempt, riolering aangelegd en de stad kreeg meer lucht doordat dicht opeen staande huizen werden afgebroken ten behoeve van brede straten, zoals de Raadhuisstraat.

Een publicatie die wellicht de ogen van het stadsbestuur opende, is het boek Krotten en sloppen uit 1901. Louis M. Hermans doet hierin verslag van de woningtoestand van arme Amsterdammers in opdracht van de Amsterdamse Bestuurdersbond. Aan de hand van interviews met bewoners en geïllustreerd met gedetailleerde tekeningen van Albert Hahn doemt een miserabel beeld op. Volgens Kemperink geeft de beschrijving van een stad ook altijd een mening over die stad weer. Op dit punt in haar verhaal toont zij aan de hand van citaten van schrijvers als Albert Verwey, Jan Feith en Herman Gorter hoe de stad in de negentiende-eeuwse literatuur werd beschreven. Er heerste een tegenstelling tussen stad en platteland; de stad wordt geduid in negatieve termen als angstaanjagend, benauwend, vuil en zenuwslopend, terwijl de natuur wordt gekarakteriseerd als ruim, vrij, schoon en rustig.

Hoewel de natuur wordt aanbeden, is de mens zich er tegelijkertijd van bewust dat hij een illusie nastreeft. Iedereen moet in zijn leven de onschuldige natuur verlaten en het leven in de barre werkelijkheid – de stad – aanvaarden. Kemperink citeerde uit Jeugdpoëzie (ca. 1888) van Albert Verwey:

‘Hier kan geen stads- of mensenleed mij deren:

De zon is warm, ’t gras is zacht, ’t riet ruist, het water

Vonkelt, ’t dorp gloort in ’t licht, ’t klopt daar zo vrolijk;

Wee mij, wat baatte ’t of ik bleef, al school ik

Hier weg in’t riet; – straks wordt het donker, later

Winter en doods; – dwaas mens, ga leven leren.’

Ook in het boek De Kleine Johannes (1887) van Frederik van Eeden zijn de stad en het menselijk lijden onlosmakelijk met elkaar verbonden. De stad is een oord dat niet alleen doet lijden, maar zelf ook lijdt. Johannes krijgt in het verhaal een rondleiding door de stad: ‘Hij [Pluizer] toonde hem, hoe het grote monster leefde, hoe het ademde, en zich voedde, hoe het zich-zelve verteerde en uit zich-zelve weer opgroeide.’ De stad wordt vanaf een afstand bekeken en gezien als een reus, een monster. De bewoners zijn geen individuen, maar onderdeel van het grote organisme.

Zelfs seksualiteit krijgt in de stad een nare bijsmaak. Kemperink citeert uit Een dag in ’t jaar (1890) van Herman Gorter: ‘Het zwarte mannengespuis gaat overal van huis de bronnen zoeken – ze loopen ineengedoken van honger, ze likken daar waar een vrouw woont, hun mondhaar.’ Het seksuele is altijd immoreel in de stad door overspel en prostitutie. De stad verleidt door vrouwen, drank en gokken en de zuivere liefde komt alleen voor in de natuur.

Heel in het kort noemt Kemperink enkele elementen in de stad, zoals het plein en de kerk die wel positief werden benaderd. Over het algemeen was het beeld van de stad in de negentiende eeuw echter negatief, maar waarom toch? Redenen als industriële ontwikkeling en armoede zijn in de ogen van Kemperink ontoereikend. In de wetenschap vindt zij echter een aanwijzing. De Franse arts Benedict Morel, actief in het midden van de negentiende eeuw, blijkt met zijn begrip ‘degeneratie’ een bijdrage te hebben geleverd aan het slechte imago van de stad. Degeneratie bestond uit een ontregeling van het erfelijk materiaal, veroorzaakt door ongezonde leefomstandigheden, waardoor afwijkingen ontstonden. De koppeling tussen degeneratie en het stadsbestaan was snel gemaakt, met alle gevolgen van dien. De stedeling raakte ongerust, wat Kemperink doet concluderen dat – passend bij het fin de siècle-gevoel – angst de belangrijkste oorzaak was voor het negatieve beeld van de stad.

Ter afsluiting vertelt Kemperink over de zoektocht naar een positief beeld van de stad, de utopische stad van de toekomst. Een architect als Jaap London ontwierp in 1921 een ‘Lichtstad’, met een heldere, overzichtelijke systematiek die het tegendeel moest vormen van een stad als Amsterdam. In deze nieuwe stad zou de mens in vrede en geluk kunnen leven zonder geplaagd te worden door angsten. Net als veel vergelijkbare ideeën uit die tijd heeft het plan de tekentafel nooit verlaten.