Feature —

IJ-tunes

JaapJan Berg

Dat er letterlijk en figuurlijk muziek zit in de hoofdstedelijke IJ-oevers mag geen nieuws meer heten. Het Muziekgebouw aan ’t IJ kan, tot de voltooiing van nieuwe en betere heldendaden, nog steeds als het vlaggenschip worden beschouwd van het proces van herontdekking van deze voormalige achterkant van de stad.

Veel architectuur en de stedenbouw in het langgerekte gebied aan weerszijden van het IJ verdiende na oplevering veel lof voor de ingeloste ambities en het bereikte niveau. Zelfs de meest verstokte liefhebber van de Jordaan of Amsterdam-Zuid beseffen nu dat een zwaartepuntverplaatsing richting deze kant de stad, ook qua programma-aanbod, schier onafwendbaar is, zeker als rekening wordt gehouden met projecten waar momenteel aan ontworpen of gebouwd wordt. Zo wacht iedereen met hoogspannen verwachtingen op de symbolische en esthetische kracht van het nieuwe filmmuseum (ontwerp Delugan Meissl) dat aan de Noordelijke IJ-oever direct achter het Centraal Station naast het bestaande Shell-gebouw zal verrijzen. Aan de westzijde van het Centraal Station zal binnenkort echt worden gestart met de aanleg van het project WesterIJDock, een prestigieus complex van vijf gebouwen op een nieuw schiereiland in het IJ naar ontwerp van Claus en Kaan, Dick van Gameren, Bjarne Mastenbroek, Bakers Architecten, Zeinstra van Gelderen architecten en Ben Loerakker. Ook de aangekondigde ontwikkelingen in het meer westelijk gelegen gebied rond de Houthavens lijken veelbelovend en zelfs spectaculair getuige het ontwerp waarmee Aarons & Gelauff vorig jaar de ontwerpcompetitie voor de bebouwing van de Pontsteiger wonnen. En dan zijn er nog veel andere, hier niet genoemde, projecten die allemaal bevestigen dat het zoemt, galmt en knarst dus aan weerszijden van het IJ en niet alleen achter de gevel van het Muziekgebouw.

Al deze mooie ontwikkelingen kunnen niet verhullen dat dichtheid van het gebied zo hoog lijkt te worden opgeschroefd dat letterlijk alle lucht eruit wordt geperst. De reeds opgeleverde projecten bevestigen dit beeld, zeker wat de zuidzijde van de IJ-oevers betreft. Hier is een bijna aaneengesloten lint van forse bouwvolumes ontstaan. Het is een monumentaal en zwaar gebaar en ontkent de mogelijke vraag naar (toekomstige) variatie, de kwaliteiten van rafeligheid, en de zegeningen van voortschrijdend inzicht. Amsterdam lijkt in een groots en meeslepend proces elke vorm van twijfel of aarzeling rond de ontwikkeling van de IJ-oevers te willen vermijden. Het motto lijkt ‘nu of nooit’. Daarbij neemt het aantal plekken die nog ‘vrij en onbestemd’ zijn in rap tempo af.

Gelukkig zijn er temidden van dit intimiderende stedenbouwkundig en architectonisch geweld nog projecten en initiatieven die een ander geluid laten horen. Zo is er de rebellie binnen de muren van de loods van de voormalige NDSM-werf in Amsterdam Noord. Daar wordt, naar een ontwerp van Dynamo architecten, gewerkt aan de geleidelijke voltooiing van het project Kunststad: 7500 m2 cascobedrijfsruimtes die door de toekomstige huurders kunnen worden afgebouwd. Als officiële broedplaats zullen de huurders bestaan uit bedrijven en personen die actief zijn in de creatieve sector.

Het is te hopen dat de gemeente Amsterdam, gevangen als zij is van voortrazende ontwikkeling van de IJ-oevers, voldoende oog blijft houden voor de duurzame meerwaarde van lichtheid, het ondefinieerbare, tijdelijkheid en een vleugje chaos. Want wat zou het mooi zijn als er ook op dit soort goudkusten daadwerkelijk minder eenduidige, meer variërende vormen van light urbanism mogelijk zouden zijn.