Feature —

Stadsbeleving in beweging

Stijn Hooijer

Met zijn lezing Shreds of boring postcards: over de stad, de post-stad en de fotografie besprak René Boomkens op woensdag 5 maart aan de hand van enkele stadsfotografen de veranderende relatie tussen mens en stad.

Boomkens is de tweede spreker die op uitnodiging van Platform GRAS vanuit zijn vakgebied vertelt over het fenomeen stad. Als hoogleraar in de sociale- en cultuurfilosofie aan de Rijksuniversiteit Groningen doet Boomkens onderzoek naar stedelijke ontwikkeling en globalisering.

De gedachtegang van Boomkens is grotendeels terug te vinden in zijn artikel Mondiaal voyeurisme: globalisering, de stad en de fotografie, dat in 2000 verscheen in het filosofische tijdschrift Krisis. Hij verbindt hierin de moderne stad met de fotografie. Beiden zijn ongeveer even oud en zijn exponenten van de opkomende reproductie en standaardisering in de negentiende eeuw. In de moderne stad en in de fotografie is de wereld niet langer gebaseerd op uniciteit, maar op gelijksoortigheid, zegt Boomkens in navolging van de filosoof Walter Benjamin.

Boomkens besprak in zijn lezing vijf stadsfotografen uit verschillende perioden om de ontwikkeling in stadsbeleving – van de flaneur of voyeur via de mondiale blik naar de post-stad – te illustreren. De eerste moderne stedeling die in de negentiende eeuw opkomt, typeert Boomkens als een flaneur of voyeur. Zijn blik scant onopvallend de omgeving met als doel de bijzonderheid uit de gelijksoortigheid te halen. Het is een positieve bezigheid van mensen als journalisten en detectives.

De fotografie die tot stand komt vanuit deze voyeuristische blik deelt Boomkens op in drie varianten. De eerste is de romantische fotografie, waarvan de Franse fotograaf Eugene Atget (1857-1927) een vertegenwoordiger is. Hij maakt verstilde foto’s van de straten van Parijs, waarin geen mensen te zien zijn. In een foto van een steeg met licht aan het eind verbeeldt hij de stad als drager van een geheim.

De Franse fotograaf Robert Doisneau (1912-1994) maakt foto’s die refereren aan de romaneske kant van de voyeuristische blik. In de moderne stad zijn alle ervaringen vluchtig en wordt het romantische gevoel teruggebracht tot een kortstondige sensatie. In zijn fotografie stelt Doisneau de stedeling centraal, die betrapt lijkt te worden bij zijn bezigheden, hoewel alle beelden geënsceneerd zijn. Uit deze foto’s maakt Boomkens op dat de voyeuristische blik en daarmee de fotografie zich steeds tussen privé en openbaar beweegt.

Als derde variant noemt Boomkens de decadente blik, waarin een voorkeur voor verval schuilgaat. Hij gaat hier echter niet verder op in, maar maakt in plaats daarvan een sprong naar het jaar 2000. Boomkens merkt op dat de stadsfotograaf zijn voyeuristische kijk rond die tijd vervangt door een mondiale blik. Twee fotografen die hij aandraagt als representanten van de globale blik zijn de Italiaan Gabriele Basilico (1944) en de Zwitser Beat Streuli (1957).

Basilico ziet de stad als een monument en geeft hem op een klassieke manier weer met behulp van een precieze kadrering. Zijn voorkeur gaat uit naar negentiende-eeuwse, industriële architectuur en de Nieuwe Zakelijkheid. Ook iconen van stedelijke functionaliteit en infrastructuur, zoals metrolijnen, lantarenpalen en stoplichten hebben zijn aandacht. Mensen zijn nergens te bekennen en hoewel Basilico vaak de achterkant van de stad toont, gaat het hem nooit om een morele aanklacht.

Streuli lijkt volgens Boomkens op het eerste gezicht geen stadsfotograaf, maar een portrettist. Vaak gaat het echter niet om het individu, maar om stukjes stedeling, die hij in lange reeksen verzamelt. Verder richt de fotograaf zijn blik op stedelijke elementen, zoals details van vrachtwagens. Ze lijken terloops te zijn vastgelegd, alsof er vanuit een ooghoek naar wordt gekeken. De vluchtigheid van het leven in de moderne stad wordt hiermee uitgedrukt, aldus Boomkens. Streuli maakt in veel van zijn foto’s gebruik van de telelens, waarmee van een grote afstand ingezoomd kan worden op details. Verwarring ontstaat, omdat er intimiteit met het onderwerp wordt gesuggereerd, maar tegelijkertijd afstand wordt gehouden.

De precieze stad is bij Basilico en Streuli niet te achterhalen. De stedelingen die Streuli toont zijn inwisselbare personages die overal kunnen lopen. Kleding en zelfs huidskleur geven geen zekerheid. Beide fotografen vertellen geen verhaal en doen geen morele uitspraken. Boomkens zegt dat ze een post-humanistisch universum tonen, waarin de stad de mens al voorbij is en los staat van de mens.

De kleine stap die Boomkens vervolgens naar de jongste omgang met de stad neemt, is die naar wat de kunsthistoricus Steven Jacobs post-stad en Rem Koolhaas generic city noemt. Wat er precies aan de hand is, is nog niet vastgesteld. Wel duidelijk is dat de tegenwoordige steden geen eigen identiteit meer hebben en dat er vervreemding heerst tussen mens en omgeving. Boomkens ziet in het werk van de Oostenrijkse fotografe Aglaia Konrad (1960) deze tendens weerspiegeld. Konrad gebruikt verschillende technieken en hergebruikt veel beelden, zoals luchtfoto’s, satelietfoto’s en oude flaneurfoto’s. Zij tilt de stedelijke elementen uit haar context, waardoor er geen sprake meer is van enige vorm van alledaagsheid, zoals bij de eerdere fotografen. Boomkens maakt uit haar werk op dat de hedendaagse mens een identiteitsprobleem heeft, net als de stad waarin hij woont. Logisch, want wat moet een mens beginnen eenmaal losgekoppeld van zijn directe leefomgeving?