Feature —

Bloemkoolwijk in een biezen mandje

Wies Sanders

De SEV-rapportage Stop de verloedering! van september 2006 deed veel stof opwaaien: bloemkoolwijken of verdwaalwijken zullen afglijden als gevolg van verloedering en leegstand, een conclusie die gretig door de landelijke media werd opgeklopt. Een tegenreactie van tevreden bewoners en relativerende politieagenten bleef niet lang uit. Afgelopen 12 maart schetste het door bureau Middelkoop georganiseerde symposium De toekomst van de bloemkoolwijk een genuanceerder beeld.

Zeker, de meeste buurten zijn sleets en rommelig. Huizenprijzen stijgen minder snel dan elders, er zijn sociale problemen rond deprimerende HAT-eenheden en hangjongeren zijn er ook. Maar een grootscheepse herstructurering is niet noodzakelijk.

Die nuance was een opluchting want deze was tot dan toe voor bloemkoolwijken ver te zoeken. Dertig jaar lang is meesmuilend over de truttige bloemkoolwijk gedaan: een hardnekkige weeffout, een miljoen keer herhaald. Een fout die met een grote boog vermeden moest worden, al was het maar omdat je er de weg kwijtraakt en daardoor onnodig tijd verliest. Vanuit die lacherigheid is het ook niet gek dat de allereerste vakkundige blikken op een bloemkoolwijk nogal gekleurd werden, door de wens een potentieel nieuw werkgebied te zien waar die stomme fouten op spectaculaire wijze kunnen worden opgelost. Een vers speelveld!

Vijf architectenbureaus, (Made Architecten, AAArchitecten, Bureau Lofvers, Van den Oever, Zaaijer & Partners en Heren 5) die nu door bureau Middelkoop aan het werk waren gezet keken door een andere bril. Ze stelden een gereedschapskist samen vanuit een uitermate ingetogen en respectvolle kijk naar het gedachtegoed. De bureaus omarmen de essenties van de wijken door ‘met de wijk mee’ te ontwerpen en werkten het concept nog compromislozer uit dan destijds. Probleem en oplossing werd binnen het ontwerp gevonden. Conceptherstellend zou je het kunnen noemen, ga maar aan de slag!

Maar wat bereik je ermee? Een update en systeemherstel. Dat bleek ook de bescheiden inzet van de ontwerpoefening. Verdient de bloemkoolwijk niet meer aandacht voor programma, demografie en beheer, voorafgaand aan ruimtelijk-visuele verbeteringen? En waar blijft het beschouwend perspectief tussen de ontzielende benchmarks over woonsatisfactie en WOZ-waarden van universiteiten en onderzoeksbureaus?

Het gedachtegoed van begin jaren zeventig was bezield, naïef-idealistisch, soms structuralistisch. Men was gedreven om de modernen een les te leren in samenleven vanuit een menselijke maat. Dat ging niet over uiterlijke frivoliteiten, dat ging over waarden als ontmoeting, collectiviteit en ontplooiingsruimte. In zo’n omgeving zouden bewoners als vanzelf samen de omgeving naar hun hand zetten. Dat idee werd alleen in Nederland heel sterk top-down gerealiseerd, in de vorm van grote nieuwbouwwijken. In het buitenland, zoals bijvoorbeeld in Denemarken, is het in de niche van bottom-up initiatieven gebleven in de vorm van kleine buurtjes, communes of binnenstedelijke projecten. Reden genoeg om dit nationale fenomeen ook cultureel en sociologisch onder de loep te nemen. Socioloog Ivan Nio verbaasde zich tijdens het congres dan ook hooglijk over het feit dat de wijken weliswaar vanuit een sociologisch perspectief en onder regie van sociologen zijn opgebouwd, maar dat ze daarna nauwelijks meer daarop zijn getoetst of onderzocht.

Niet alleen het perspectief van het verleden, ook de grotere context van een toekomstig marktperspectief kwam nauwelijks aan bod. Het congres bood voornamelijk inzicht in het wegen van de zwaarte van problemen. Duurzame kansen waar een wijk naar toe kan ontwikkelen werden niet genoemd. Er werd wel zijdelings aangestipt dat erven geschikt zijn voor zeer specifieke woonstijlen die behoefte hebben aan collectiviteit, voor bedrijven aan huis, voor gezinnen met kleine kinderen of zorggemeenschappen, maar de focus lag te erg op het oplossen van de irriterende schuurtjes en onhandige openbare ruimte. Het voorstellen van verbeteringen lijkt niemand kwaad te doen, maar de grote verbazing is natuurlijk dat bewoners, corporaties en gemeenten die relatief eenvoudige verbeteringen niet gewoon zelf hebben gedaan. Ze voelen zich er niet bepaald verantwoordelijk voor en maken het vaak zelfs nog erger dan het al is. Bewoners die kiezen voor een bloemkoolwijk, waarderen de essenties ervan, maar dragen daar zelf weinig aan bij. Ze zijn net als iedereen woonconsument geworden. Tegen deze houding heeft een bloemkoolwijk zich het minst van alle wijken weten te verweren. Het succes van deze wijken is afhankelijk van natuurlijk gevormde beheersafspraken, niet van formele regels of een structurele onttrekking daaraan. Corporaties hebben in een bloemkoolwijk relatief weinig bezit, en verkopen dat maar al te graag voordat ze er een cent in geïnvesteerd hebben, aldus Middelkoop. Gemeenten zitten met de handen in het haar met al dat openbaar gebied dat voor (en niet door) die enkele bewoners intensief beheerd moet worden. De van bovenaf geplande collectiviteiten blijken dus noch in goede aarde terecht te zijn gekomen, noch door de aanstichters ervan te worden gekoesterd. De bloemkoolwijken zijn ook niet geëvolueerd tot onafhankelijke dorpen, een vurige referentie van de ontwerpers destijds. De bloemkoolwijk is gewoon verweesd. Dat is niet op te lossen met een conceptherstellend ontwerp.

Dus hold your horses en ga niet opnieuw top-down concepten verbouwen zonder verantwoordelijken. Vind in het doolhof eerst die verdwaalde betrokkenen en breng ze bij elkaar voor een ontmoeting over investeringen in een kansrijke toekomst. De bloemkoolwijk zal dan niet een probleemloze wijk worden, maar misschien wel een kleine aarde die de gemiddelde Vinex-wijk ver achter zich laat.