Recensie —

Het eenzijdige verhaal van een andere gedachte

Herman van Bergeijk

Als iemand zich in de jaren zeventig openbaarde als een luis in de pels van de Nederlandse architectuur dan was het wel Aldo van Eyck. Zijn gedachtegoed kent een enorme consistentie. Wat hij eens beweerde kwam daarna steeds weer terug. Hij herzag zijn opvattingen, veelal verwoord in artikelen, nauwelijks. Onlangs verscheen de lijvige publicatie van Aldo’s geschriften onder de titel Aldo van Eyck Writings.

Zijn hele leven zocht Aldo van Eyck naar de poëtische eigenschappen van de architectuur, eigenschappen die naar zijn opvatting te vaak het slachtoffer werden van een kortzichtigheid of van een dogmatische benadering. Aldo's  liefde voor poëzie, of dat nu in de architectuur was of het werk betrof van Engelstalige dichters, is te herleiden naar zijn vader, de dichter P.N. van Eyck en zijn jeugd in Engeland. De tweetaligheid waarin hij opgroeide, werd eveneens een basis voor zijn handelen. Aldo zat gevangen tussen de twee talen en speelde even driftig in de ene als in de andere. Virtuoos en soms even virtueel. De concurrerende dichterlijke eigenschappen komen in al diens teksten naar voren. Steeds weer zoekt hij de grens van de begrijpelijkheid op en laat hij zinnen los waarbij velen zullen knikken en anderen schudden. In de loop der jaren werd Aldo steeds meer een ‘angry young man’. Hij zocht zijn tegenstanders op en in vele teksten probeerde hij ze zwart af te schilderen terwijl hij zichzelf graag in de regenboog, zijn lievelingskleur, gerepresenteerd zag.

In 1982 ontving Aldo de Maaskantprijs en verscheen ter gelegenheid hiervan Niet om het even. Van en over Aldo van Eyck (Amsterdam 1982), een publicatie die grotendeels door Aldo zelf op zijn bijzondere wijze is vormgegeven. Het boek bevat naast vele teksten van en over Aldo talloze interviews die de architect en architectuurtheoreticus Francis Strauven met verschillende mensen had afgenomen. Strauven werd steeds vaker bij publicaties over Aldo betrokken en kan zelfs als ‘hofschrijver’ worden beschouwd. Zijn magnum opis is vooralsnog de een dikke biografie Aldo van Eyck. Relativiteit en verbeelding (Amsterdam 1994), waarin het leven van Aldo minutieus in kaart is gebracht.

Van Vincent Ligtelijn verscheen in 1999 Aldo van Eyck – Werken (Bussum). Toen al was er sprake dat er een tweede deel zou verschijnen dat teksten van Aldo zou bevatten. Nu, 2008, is het zover, en niet als één deel maar als twee delen:  Writings: The Child, the City and the Artist en Writings: Collected Articles and Other Writings 1947-1998,  tezamen ongeveer 1000 pagina’s. Het geheel is verzorgd door Vincent Ligtelijn en Francis Strauven.

Het eerste, dunne deel, The Child, the City and the Artist is een werk waaraan Aldo in 1962 schreef toen hij langere tijd in de Verenigde Staten verbleef. Hoewel er enkele kopieën in omloop waren, bleef het oorspronkelijke typoscript ongepubliceerd. De kopieën kregen een magische status. Nu het werk in gepubliceerde vorm toegankelijk, wordt duidelijk waarom het nooit eerder een definitieve vorm heeft gekregen. Het werk bestaat uit vele delen die op een geforceerde wijze bijeen zijn gebracht. Het is niet gecomponeerd met een leidende gedachte die in een goed geordend betoog uiteen wordt gezet. Het heeft een caleidoscopische inhoud, herhaalt zich soms en is niet tot een eenheid gevormd. Het boek was niet het middel dat Aldo beheerste. Hij was meer thuis in de korte verhandeling, de kritiek en in de scherpe polemiek.

Als we al de artikelen die hier bijeen zijn gebracht in ogenschouw nemen – en het is een vrij ruime keuze – dan valt niet te ontkennen dat Aldo zich vaak herhaalt. Met geschiedenis en met name zijn eigen geschiedenis kon hij slecht overweg. Hij was tot vergeten geneigd en was daardoor gemakkelijk in staat om de meest uiteenlopende gedachte door zijn associatie aan elkaar te rijgen. Niets werd werkelijk doorgecomponeerd. Ook de samenstellers zijn niet in staat geweest de teksten beter in hun tijd te plaatsen. Hun commentaar getuigt te veel van hun idolatrische positie.

De wijze waarop Aldo alles als ‘gelijktijdig’ kon ervaren wordt niet ontkracht. De kracht van Aldo lag niet in wat hij gelezen had maar in zijn eigen observaties. Daarbij kon hij gedachten van anderen zonder moeite als zijn eigen presenteren. Het idee van de stad als huis en omgekeerd was een klassieke topos dat door Aldo voor eigen doeleinden werd ingezet. Hij ontkende dat hij het van anderen had overgenomen. Hij zag alles telkens met een geheel frisse kijk, los van de geschiedenis of wat dan ook staand, en was in dit opzicht een waardige opvolger van Le Corbusier. Hoge cultuur van Codussi, Palladio tot Appel werden gemakkelijk gepaard aan lage cultuur van de Dogon tot de Pueblo indianen. Er was voor hem geen onderscheid in standing. Op gegeven moment keerde de sensibiliteit van Aldo en zijn solipsisme zich tegen hemzelf. Ervaringen werden niet langer in een perspectief gezien maar in een door hem opgelegde configuratie. Dit had niets kinderlijks maar eerder iets naïefs. Zelfs in zijn tirades liet hij zich nauwelijks meer beteugelen door een orde, in tegenstelling tot zijn architectuur waarin juist de orde een grote rol speelt. Zijn gevecht met de geschiedenis als ordenend principe vertaalde zich in de haat jegens Tafuri. Niet dat hij diens werk kende of dat hij een meer dan oppervlakkige kennis had van datgene waarmee Tafuri zich bezighield. Zijn haat was het resultaat van een zwakke interpretatie van een fenomeen en van wat in Delft gebeurde waar enkele Tafuri adepten rondliepen. Tijdens een debat in 1976 in Venetië brieste hij: ‘Daarom als Tafuri aanwezig is dan wil ik hem zeggen dat ik hem haat en dat ik nog meer haat wat hij schrijft; dat enorm cynisch is, tot aan het bot, tot aan misselijkheid, dat het zeer dom is, en dat het van slechte smaak getuigt en dat hij zich geen rekenschap geeft van de slechte invloed die hij heeft’.

Aldo liet zich in zijn haat tot ongekende hoogten opzwepen. Iedereen die Van Eyck om een of andere reden niet of niet meer zag zitten werd gecriminaliseerd. Hun namen werden tot beginletters gereduceerd. Hij ging soms zelfs zo ver hun dood te wensen. Het stigmatiseren was een minder prettige kant van Aldo en leidde er toe dat hij ondanks zijn eruditie niet altijd serieus werd genomen of nieuwe vijanden schiep. Dan hadden zijn poëtische woorden ook geheel geen effect. Aan deze minder rationele kant van Aldo, de ‘dark side of Aldo’ moet ook eens aandacht worden besteed. In plaats van ‘Switch on the stars before the fuses go’ moet soms kunnen worden gezegd: ‘Switch off the stars before the muses go!’. Met andere woorden het wordt tijd dat we ons niet meer door Van Eyck laten leiden bij het bestuderen van Aldo. Zijn aperte aversie tegen de geschiedenis hinderde niet zijn wording tot geschiedenis, ook al is zijn plaats nog alles behalve duidelijk. Deze belangrijke uit- en heruitgave van teksten van Aldo kan ons daarbij helpen, maar ik denk dat men ook ten rade moet gaan bij de velen die ooit van Aldo een veelgekleurde brandbrief hebben ontvangen waarin hij niet schroomde zijn artistieke hetze tegen bepaalde figuren voort te zetten.