Feature —

Het spel en hoe het wordt gespeeld

Piet Vollaard

In de Amsterdamse NSDM-loods presenteerden 23 april uitgever en redactie het Jaarboek Architectuur in Nederland 2007/08. Met de ‘onthulling’ van de cover werd duidelijk dat de huidige redactie het bij haar afscheid nog één keer over een andere boeg wil gooien.

Ondanks de hoge mate van voorspelbaarheid van vorm en inhoud – op zichzelf een belangrijke kwaliteit en de reden dat deze uitgave nu al meer dan 25 jaar het beste verkopende architectuurboek in Nederland is – blijft het elk jaar toch weer spannend welke projecten voor dit Jaarboek zijn geselecteerd en tot welke observaties de redactie aan de hand van deze selectie komt.

Deze aflevering is de derde en tevens laatste van de huidige redactie (Daan Bakker, Allard Jolles, Michelle Provoost, Cor Wagenaar). Het is ook de beste, meest coherente van de drie: een eigenzinnige, maar beargumenteerde keuze, vergezeld van een uitgebreide verantwoording van de gekozen projecten. De selectie bestaat uit een aardige mix van the usual suspects zoals Claus en Kaan (2x), MVRDV (2x), Neutelings Riedijk (2x), Benthem Crouwel (1x), DOK architecten ism Aequo architects (1x) en Wiel Arets (1x); een sterke aanwezigheid van twee relatieve nieuwkomers: Mei (3x) en Marlies Rohmer (2x) en een handjevol leuke kleine en/of afwijkende projecten, waaronder de NDSM-Atelierstad van Dynamo Architecten, het project dat tevens de omslag van dit Jaarboek siert.

Zelden was het zo’n zootje op de omslag van het Jaarboek. Kriskras door het beeld schietende staalconstructies met daartussen ogenschijnlijk lukraak gestapelde, van restmateriaal getimmerde dozen. Het is dat de vloer zo netjes geveegd en dat de fotograaf een zodanig standpunt heeft gekozen dat de ruimtewerking optimaal wordt overgebracht, anders zou leek noch vakgenoot hierin voorbeeldige architectuur hebben herkend. Dit ontwerp prijkt dan ook niet op de omslag omdat het in hoge mate voldoet aan architectonische normen en regels, laat staan dat het zou gaan om het ‘beste ’gebouw van het afgelopen jaar zoals de onthulling van de zorgvuldig geheim gehouden cover nog steeds lijkt te willen suggereren. Het is zelfs de vraag of hier nog sprake is van architectuur in de klassieke zin. De architect zelf noemt het terecht en treffend een vorm van ‘interieur stedenbouw’. Het gaat hier immers om het vastleggen van de openbare (verkeers-)ruimte en het vaststellen van regels ten aanzien van hoogte en programmatische invulling van de ‘gebouwen’ tussen die ruimten.

Dat juist dit ontwerp de cover siert is daarom vooral een statement waarmee het centrale thema van dit Jaarboek wordt verbeeld. In vier essays worden de verschillende geselecteerde ontwerpen besproken aan de hand van de context waarbinnen deze projecten tot stand zijn gekomen. De redactie ontrafelt de ‘wereld achter het gebouw’. Opdracht en opdrachtgever, budget, regelgeving, aanbesteding, lokale en nationale regelgeving en politieke ambities; project na project wordt besproken welke bepalende keuzes door wie werden genomen en wat daarin de rol van de ontwerper was. Dit is het spel, en zo moet het worden gespeeld. Want, de redactie zegt het in de inleiding met zoveel woorden, ‘het succes van het spel bepaald de kwaliteit van de architectuur.’

Tussen de regels door valt in deze keuze voor een ‘orgware’-analyse een meervoudige kritiek te lezen. In zekere zin plaatst de redactie een kritische noot bij Willem Jan Neutelings’ lezing tijdens het congres Architectuur 2.0, waarin hij pleitte voor een terugkeer naar de basis van het vak. Alles goed en wel, zo stelt de redactie terecht, maar met vakbekwaamheid alleen red je het niet, en je moet wel een architect van de statuur van Neutelings zijn wil je overeind blijven in het procedurele geweld van opdrachtgevers en bestuurders. De rest zal het spel mee moeten spelen en zich terdege moeten bekwamen in de regels en de trucs die daarbij gelden.

Verder verantwoordt de redactie haar thematische keuze met het feit dat ‘de architectuurkritiek’ dit onderwerp, deze relatie tussen ontwerp en de politiek/maatschappelijke context waarbinnen dat ontwerp tot stand komt, de laatste tijd zou hebben genegeerd of tenminste het belang niet naar waarde zou hebben geschat. Het omgekeerde lijkt me eerder het geval. Het is niet in de beschrijving en duiding van het proces waarin de kritiek sprakeloos is geweest, maar juist in de beschrijving en kritische duiding van de eigenheid van het vak zelf. Zelden is er – door architecten en door critici – zoveel om de hete brei van de feitelijke vakbeoefening en van de autonome kwaliteiten van de architectuur zelf heen gedraaid als in de laatste decennia. Inclusief de drie jaarboeken die deze redactie zelf onder haar hoede had.

Als er al sprake is van onmacht of van verlies van positie in het architectuurspel, dan gaat het toch vooral om de onmacht om onvervreemdbare eigenheid van het vak zelf onder woorden te brengen. Zo lang de kennis en kunde (volgens Neutelings twee pijlers van het vak), de eigen regels en die eigen patronen niet onder woorden kunnen worden gebracht, is het lastig spelen en is de architectuur inderdaad overgeleverd aan de regels en patronen van de overige spelers. Dan wordt de evocatie (Neutelings’ derde pijler) een goocheltruc, een kunstje waarvan de regels per definitie geheim moeten blijven. In dat opzicht sloeg Neutelings de spijker op de kop. Zijn ongelijk lag natuurlijk in de door Neutelings zelf zorgvuldig vermeden, maar voor halve verstaanders maar al te gemakkelijk gehoorde suggestie dat het een voldoende beheersing van het vak zelf automatisch tot evocatieve architectuur zou leiden. En dat is natuurlijk onzin, zoveel maakt deze redactie in haar procesanalyses wel duidelijk.

Toch ontkomt ook deze redactie niet aan de conclusie dat ook in het complexe spel van het hedendaagse bouwen het uiteindelijk toch vaak ‘de architect’ of ‘de architectuur’ is die het verschil maakt. Waaruit dat verschil dan precies bestaat, wat dan, naast de beheersing van het proces en het handig manoeuvreren op het complexe speelveld, het specifieke, eigen architectonische ‘moment’ in het ontwerp is, daarover weet ook deze redactie nauwelijks iets te melden. En dan gaat het niet speciaal om de flitsende, zogenaamd iconische beeldarchitectuur, maar juist om de relatief bescheiden voorbeelden. Wat maakt een doorsnee gebouw tot architectuur? Dat is de vraag. Die vraag wordt niet beantwoord door louter te beschrijven hoe het ontwerp tot stand kwam, hoe nuttig dat ook mag zijn voor een begrip van het resultaat.

Deze redactie heeft zich vanaf het begin bewust eerder als verslaggever, dan als criticus van de Nederlandse architectuurproductie willen manifesteren. In de eerste van de drie jaarboeken beloofde zij zelfs ‘zich verre te houden van theoretische bespiegelingen.’ Afgezien van de wellicht wat eigenzinnige keuze om dit te doen in een uitgave die juist kan bogen op een lange traditie van het kritisch bespreken, heeft het wel geleid een brede verkenning van het speelveld. Daarmee heeft zij de weg vrij gemaakt voor een volgende redactie die zich dan weer eens ouderwets op een kritische bespreking van het vak zelf kan richten.