Feature —

Urban Emergenc(i)es

Marten Dashorst

De Urban Body en Urban Asymmetries studios van de TU Bouwkunde in Delft organiseerde op 26 juni jongstleden het symposium Urban Emergenc(i)es in het NAi, met ’s avonds een lezing van Teddy Cruz, architect uit San Diego (VS).

Centraal stonden informele processen en gemarginaliseerde gemeenschappen in wereldsteden als Rome, Mumbai en Mexico City. De Emergenc(i)es uit de titel verwezen zowel naar het ontstaan van dit soort verschijnselen (emergence) als naar de noodzaak deze intelligent te beschrijven en te benaderen. In zijn introductie beschreef prof. Arie Graafland (TU Delft) het probleem als een van centrum en periferie. De uitdaging voor de toekomst ligt in het opnieuw ontdekken van een lingua franca, waarin deze twee tegenover elkaar staande 'ideologieën' zich kunnen vinden en uitdrukken.

Voordat Teddy Cruz de hoofdmoot van de avond mocht verzorgen, werd het publiek getrakteerd op een ingekorte voorvertoning van 'Rome to Roma – diario nomade', een film van Giorgio Finis. Hierin volgt Finis een groep studenten van de TU Delft op een tocht langs verscheidene Roma zigeunergemeenschappen in Europa, van Rome naar Belgrado. De afstand die de 'beschaafde' wereld graag aanneemt tot deze bevolkingsgroep werd strak getypeerd door hoog overkomende vliegtuigen en flitsende reclameborden op grote flats in de verte. Na twintig minuten Balkanbeats bleek vooral dat we toch niet zo verschillend van elkaar zijn – de studenten gingen met hun enthousiasme moeiteloos op in de zigeunerbevolking, ze waren slechts nog te onderscheiden door een overdaad aan fotoapparatuur.

Teddy Cruz, geboren in Guatamala en winnaar van de James Stirling Prize 2004/2005 voor zijn project Border Postcards: Chronicles from the Edge, begon zijn lezing met een beschrijving van de verdeling van arm en rijk, en productie en consumptie, aan de hand van wat hij 'the political equator' noemt. Kapitalistische marktwerking heeft de aarde langs deze horizontale scheidslijn – ruwweg lopend door Mexico, de Middellandse Zee en China – verdeeld in hen die het willen hebben en hen die het hebben. Mensen onder de lijn trekken tegenwoordig massaal naar boven, op zoek naar geluk en fortuin, terwijl grote bedrijven aan de noordkant graag gebruik maken van het goedkope arbeidspotentieel aan de onderkant. Hoe 'reëel' deze lijn is, illustreerde Cruz aan de hand van de situatie in de regio waar hij vandaan komt: de stedelijke megaregio van San Diego-Tijuana op de grens van de VS en Mexico.

De economie van Tijuana draait voor een groot deel op de afdankertjes van haar rijkere noorderburen. Garagedeuren bedekken hun gevels en daken en muren bestaan uit autobanden gevuld met aarde. Het gaat Cruz niet zozeer om het indexeren van deze retro fitting, maar om de achterliggende processen van het systeem. Hij trekt een vergelijking tussen de sloppen van Tijuana en de eerste, oudste ring van buitenwijken rond San Diego, de typische 'Levittowns'. Als de Amerikanen niet opletten, waarschuwt Cruz, verandert die ring van oude, laag bebouwde buitenwijken in sloppen vergelijkbaar met die van Tijuana.

Om mensen op deze ontwikkelingen te attenderen legt Cruz achterliggende conflicten bloot. In Tijuana zijn het vooral de fabrieken (maquiladoras), die draaien op de goedkope arbeid van de Mexicaanse (en andere Latijns-Amerikaanse landen) loonwerkers, zonder bij te dragen aan de ontwikkeling van nieuwe gemeenschappen rondom dit netwerk van arbeid en infrastructuur. De fabrieken zouden de lokale gemeenschappen op een kleine schaal moeten steunen, zegt Cruz. Heel concreet, zoals een staalfabriek die afgekeurde A-frames aan haar arbeidskrachten doneerde om er huizen van te bouwen, maar ook op de lange termijn, bijvoorbeeld met het verstrekken van microkredieten.

De huidige patstelling tussen ontwikkelaars en gemeenschappen is volgens Cruz eigenlijk een patstelling tussen de kracht van het economische kapitaal, dat top-down opereert en de kracht van het sociale kapitaal, dat juist bottom-up werkt. Een oplossing vereist dan ook inzet van beide kanten. Bewoners moeten niet als klanten, maar als deelnemers benaderd worden. Tegelijk moet die groep zich realiseren dat kapitaal niet per definitie negatief is; dat het helaas vaak slecht beheerd wordt, maar dat het ook anders kan.

'Legitimize the illegal things, and make bureaucracy local,' zo wordt de oplossing omschreven. Geef bewoners het idee dat ze zelf een steentje bijgedragen hebben in de ontwikkeling van hun leefomgeving en zij zullen zich een stuk harder inzetten voor het behoud ervan. Grote lappen ongebruikte ruimte kunnen prima ingezet worden in een nieuwe infrastructuur van lokale diensten, zonder dat de economische waarde ervan aangetast wordt.

De kracht van het betoog van Cruz schuilt in de scherpe en concrete ontmanteling van een hele reeks vooroordelen over architectuur en projectontwikkeling. Dichtheid, zo zegt Cruz, is niet slechts een statistiek, vaak is het een indicatie van samenwerking binnen een buurt; het kan de kracht en waarde van socio-economische processen weergeven, en de graad van complexiteit.

De architect dient zich in dit proces dan ook niet uitsluitend als ontwerper op te stellen, maar rekening te houden met de werking van politieke systemen. Volgens Cruz is het tijdperk dat de architect zich achter zijn creativiteit kan verschuilen op momenten van onrust in het proces voorbij. Hij zal zich als intermediair – en soms ook crisismanager – moeten opstellen tussen hen die van bovenaf te werk gaan, zoals overheden en projectontwikkelaars, en hen die van onderop beginnen: de gebruikers.