Opinie —

Europees Aanbestedingsleed: nu ook met oplossingen

Piet Vollaard

Het leed dat Europees Aanbesteden heet stond de afgelopen week weer flink in de belangstelling van dag- en vakbladen. ‘Architect staakt tegen staat’ kopte de NRC naar aanleiding van het meest recente schandaaltje rond de aanbesteding van het stadhuisontwerp voor de gemeente Westland. Er zijn zelfs kamervragen aan de ministers van VROM en Economische Zaken gesteld. Niet over die Westlandzaak, maar naar aanleiding van een Rapport van Atelier Kempe Thill, met dit keer eens niet louter geklaag, maar met oplossingen.

Risicomijdend gedrag is van alle tijden (captionstill uit The Fountainhead, King Vidor 1940)
Risicomijdend gedrag is van alle tijden (captionstill uit The Fountainhead, King Vidor 1940)

Over de Regeling Europese Aanbestedingen voor Architectendiensten wordt al geklaagd vanaf het moment dat de regeling verplicht is gesteld. De regeling zelf krijgt daarvan maar al te vaak de schuld, maar dat is onzin. Die regeling is in veel opzichten zelfs een zegen. Het maakt de selectieprocedure transparant en eerlijk. Kennelijk zijn de architecten de vermaledijde geheime architectenlijstjes van wethouders al weer vergeten. Vriendjespolitiek, onderhands gerommel, het in het geheim tegen elkaar opzetten van architecten; dat is allemaal niet meer mogelijk bij overheidsopdrachten van een zekere omvang. En dat is een grote winst.

De problemen zijn dan ook grotendeels terug te voeren tot de uitvoering van de regeling, en niet tot de regeling zelf. Ten aanzien van de kritiek zijn twee hoofdbezwaren te onderscheiden, respectievelijk van zakelijk en van cultureel belang.

zakelijke bezwaren

Het zakelijke belang van architecten botst soms met het zakelijk belang van publieke opdrachtgevers. Kort gezegd komt het erop neer dat vooral lagere overheden een groot risicomijdend gedrag (zowel financieel als procedureel) vertonen ten aanzien van de deelname-eisen voor een openbare ontwerpaanbesteding. Er wordt veel, soms extreem veel, van architecten gevraagd (ervaring, omzet, personeel) voor weinig vergoeding. De Westlandkwestie is grotendeels zo’n zakelijke kwestie. Zeven van de twaalf architecten voor de voorronde van deze aanbesteding trokken zich terug. De gemeente stelde erg hoge eisen aan het in te leveren werk en daar stond betrekkelijk weinig vergoeding tegenover. Als die eisen wat lager of de vergoeding hoger was geweest hadden de zeven toparchitecten zich waarschijnlijk niet teruggetrokken. Om zoiets een staking te noemen, zoals NRC deed, gaat dan ook wat ver, en het was zeker niet tegen de staat gericht. Dat de gemeente Westland zich hierdoor in de culturele vingers snijdt (er is immers minder keuzemogelijkheid)), is niet onbelangrijk, maar eerder het gevolg dan de aanleiding van ‘de staking’.

Als de aanbestedingsproblematiek alleen om zakelijke belangen zou gaan, dan zou de oplossing ook in de zakelijke sfeer moeten worden gezocht, bijvoorbeeld door een fatsoenlijke vergoeding te eisen bij deelname. Aannemers kennen al lang een rekenvergoeding bij aanbestedingen (onder en boven de tafel). Dat zouden architecten al of niet door bemiddeling van hun bond dan maar zelf uit moeten zoeken. Ofwel voortaan moeten accepteren dat deelname aan een Europese Aanbesteding een normale vorm van acquisitie is, en verder niet zeuren (of niet meedoen).

Het culturele belang

Het culturele belang is echter iets wat ons allemaal aangaat, en daarom ook een zaak van publiek debat. Dat hebben twee kamerleden van de PvdA goed begrepen, want die stelden kamervragen naar aanleiding van een rapport van Atelier Kempe Thill, waarin vooral de culturele bezwaren tegen de huidige praktijk van Europese Aanbestedingen in Nederland worden aangekaart. En het blijft niet bij klagen, er worden dit keer ook oplossingen aangedragen. Het is dan ook op zijn minst opmerkelijk dat vakbladen (twee ingezonden stukken in de Architect van juli/augustus) en dagbladen (naast NRC: Volkskrant, Cobouw de afgelopen week) geen aandacht aan dat rapport, die kamervragen of zelfs dat culturele belang schenken.

Het culturele bezwaar tegen de huidige Aanbestedingenpraktijk in Nederland heeft een aantal componenten, die steeds neerkomen op het onderdrukken van vernieuwing in het algemeen en van kansen voor jonge en/of kleine ‘culturele’ bureaus in het bijzonder. Door een combinatie van extreem ‘veilige’ (en dus hoge) eisen aan ervaring (je moet tig scholen hebben gebouwd om er nog een te mogen bouwen) en financiën (een extreem hoge eis ten aanzien van omzet en/of personeelsbezetting die nauwelijks in verhouding staat tot de risico’s die de opdrachtgever daadwerkelijk heeft) worden kleinere bureaus, bureaus die wel een brandweerkazerne, maar geen politiebureau hebben ontworpen, startende architecten en noem maar op, de facto uitgesloten van deelname. Steeds meer overheidsopdrachten worden daardoor uitgevoerd door een steeds kleiner wordende groep architecten, die daardoor steeds meer ervaring, omzet en personeel krijgen, en dus meer kansen bij de volgende aanbesteding. Een door de praktijk afgedwongen specialisatie en schaalvergroting, die dodelijk is voor innovatie, concurrentie en nieuwe impulsen. In dat opzicht werkt de Nederlandse praktijk misschien niet tegen de letter, maar wel tegen de geest van de Europese Aanbestedingsregeling. En dat steekt des te meer omdat juist die Nederlandse praktijk in het recente verleden terecht bekend stond om de vele kansen die kleine, innovatieve bureaus kregen.

Aanbevelingen en oplossingen; naar een Onafhankelijke Aanbestedingsautoriteit

Op zichzelf zijn dit geen onbekende bezwaren, ze zijn in het verleden al uitgebreid naar voren gebracht. Wat het rapport van Atelier Kempe Thill, interessant maakt is dat er gekeken is naar de praktijk van onze buurlanden (België, Duitsland, Oostenrijk en Spanje). Daar blijken dezelfde Europese regels in veel gevallen helemaal geen belemmering voor deelname van jonge of kleine, innovatieve bureaus. Integendeel, de regeling kan zelfs worden gebruikt (of misbruikt) om dat soort bureaus positief te discrimineren. Vooral het beleid van de Vlaams Bouwmeester (de Open Oproep) mag wat dat betreft voorbeeldig worden genoemd. Opnieuw opmerkelijk, en voor de Nederlandse overheid zelfs genant, aangezien dat beleid grotendeels is geïnspireerd op ons overheidsbeleid van voor de Europese Aanbestedings-regeling en de terugtredende overheid.

Verder blijkt de beroepsgroep zelf in het buitenland een veel sterkere stem en invloed in de procedures rond de aanbestedingen uit te oefenen. Daardoor wordt gerommel met zakelijk of cultureel onmogelijke eisen voorkomen. Bovendien wordt de jurering van de architectuur van de ingezonden plannen vaak (voor een deel of geheel) uitgevoerd door kundige vakjuryleden, in meerderheid afkomstig uit de beroepsgroep en niet zelden aangewezen en gecontroleerd door een landelijke aanbestedingsautoriteit.

Atelier Kempe Thill stelt in zijn rapport dan ook voor dat de landelijke overheid en de beroepsgroep (opnieuw) greep op de procedures en beoordelingen krijgen. Als belangrijk onderdeel pleit het rapport bovendien voor het instellen van een Onafhankelijke Aanbestedingautoriteit – publiekrechtelijk, opgezet vanuit de architectengemeenschap zelf. De schriftelijke vragen van PvdA-kamerleden Verweij en Leerdam van 31 juli aan de ministers van VROM en van Economische Zaken richten zich met name op de noodzaak van een dergelijke aanbestedingsautoriteit. De vragen worden mede gesteld naar aanleiding van de recente Architectuurnota ‘Een Cultuur van Ontwerpen’ waarin een – helaas eveneens 'oplossingsloze' – passage is gewijd aan de problematiek rond de Europese Aanbestedingen. Wellicht kan er bij de behandeling van de nota in de kamer nog wat doelgerichter beleid worden afgesproken.

De tijd van klagen is voorbij, de noodzaak tot verandering van de huidige praktijk wordt algemeen erkend. Stop met het aanklagen van opdrachtgevers (wethouders van kleine gemeentes en hun adviseurs). Wacht niet tot de overheid eindelijk zelf met een oplossing komt, maar neem als beroepsgroep zelf het initiatief. De voorzet is gegeven, inkoppen die bal.