Recensie —

Het verstandige oog van een connaisseur

Herman van Bergeijk

De bekende en gerespecteerde schrijver Joseph Rykwert laat al meer dan vijftig jaar regelmatig van zich horen. Veel van zijn boeken behoren tot de canonieke werken van de architectuurgeschiedenis. Recentelijk publiceerde hij wederom een dik boek: The Judicious Eye, Architecture Against the Other Arts.

In zijn nieuwste boek snijdt Rykwert een thema aan dat slechts zelden wordt behandeld, namelijk de relatie van architectuur met de andere kunsten. In vele kunsthistorische handboeken wordt over architectuur meestal niet gerept. De vraag die Rykwert zich stelt is of architectuur wel tot de kunsten mag worden gerekend en waarom er in de laatste eeuwen sprake is van een steeds groter wordende kloof tussen de architectuur en haar zusterdisciplines. Daarbij heeft hij een groter probleem op het oog, te weten dat van de openbare ruimte. Volgens hem is elke consideratie van de openbare ruimte in de stad van de overvloed beladen; ‘artists have lost interest in it; architects seem to have abdicated control over it; while sociologists keep on telling us that we must have a rich and varied street life in what remains of it’. Dit groeiend gebrek aan interesse voor de publieke ruimte in de loop van de geschiedenis stelt hij aan de orde.

Het boek is in grote lijnen chronologische van karakter. Rykwert begint met de ontwikkelingen rond 1800, een periode waarin hij in het verleden reeds heeft getoond behoorlijk thuis te zijn. Vervolgens werkt hij zich naar de huidige tijd toe en behandelt in twee hoofdstukken de 19de eeuw en in twee hoofdstukken de 20ste. Het gebruik van kleur neemt in alle hoofdstukken een dominante plaats in. Men zou kunnen zeggen dat Rykwert een soort van architectuurgeschiedenis van de afgelopen twee eeuwen aanbiedt, waarbij gelijk moet worden opgemerkt dat hij een eigenzinnige blik heeft en vooral zijn eigen fascinaties lijkt te volgen. Deze eigenzinnigheid neemt naar het einde van het boek alleen maar toe.

‘A deep, wide-ranging, and profound book’ stelt Anthony Alofsin op de flap van het boek. Zo’n opvatting dient natuurlijk in de eerste plaats om de verkoop te stimuleren, maar er zit een kern van waarheid in. De blik die Rykwert op de geschiedenis biedt is interessant en zijn stijl van schrijven is vloeiend. Hij voelt zich duidelijk thuis in het verleden ook al geeft hij enkele keren nadrukkelijk aan dat hij niet nostalgisch wil lijken. Het gevaar van dit boek schuilt echter niet in de hang naar nostalgie als wel in de wijze waarop Rykwert zich opstelt. Rykwert is inmiddels op een leeftijd aangekomen waar de noodzaak van gedegen onderzoek van ondergeschikt belang wordt. Hij is de erudiet, en het boek drijft op zijn fenomenale kennis en zijn vaardigheid van het schrijven. Maar de these die in het begin met veel elan wordt aangekondigd raakt in de rest van het boek steeds verder uit het zicht. Het volgen van een rode lijn wordt opgegeven voor het vertellen van anekdotes en andere kortere verhaallijnen. Zo besteedt hij veel aandacht aan architecten als Peter Behrens en Joseph Olbrich, maar gaat hij nergens echt in op de vraag waarom er rond 1900 zoveel schilders waren die architect werden of architecten die artistieke aspiraties hadden. Ook eerdere boeken van Rykwert leden er soms aan. Rykwert is uiteindelijk te veel liberaal. Nergens forceert hij openingen die er voorheen niet waren, terwijl het uitgangspunt van grote betekenis kan zijn voor een nadere beschrijving van de positie en de aard van architectuur in de 21ste eeuw.

Rykwert doet alsof de breuk tussen de kunsten steeds groter werd, maar is dat wel het geval? Heeft de architectuur zich vervreemd van de andere kunsten zoals de ondertitel suggereert. De laatste vijftig jaren komen nauwelijks aan bod maar ook in die periode kunnen verschillende figuren worden genoemd die zich uitdrukkelijk met de relatie tussen de kunsten bezighielden. De twintigste eeuw is niet de eeuw van Rykwert. Zijn opmerkingen over de Nederlandse bijdrage getuigen eerder van een oppervlakkigheid dan van een gedegen historisch inzicht. Vanuit zijn fenomenologische interesse laat hij zich teveel een rad voor de ogen draaien door de theosofie. Voor Rykwert moeten de kunsten een spirituele of spiritualistische kwaliteit bezitten en die wil hij er dan ook graag in lezen, ook wanneer ze niet aanwezig is.

Opvallend is dat Rykwert, zoals reeds gezegd, veel aandacht aan Olbrich schenkt – een detail van het Sezessionsgebouw siert de omslag – maar dat hij de raadselachtige spreuk van Hermann Bahr die op het kunstenaarshuis van Olbrich in Darmstadt over het hoofd ziet. Daar staat: ‘Seine Welt zeige der Künstler, die niemals war, noch jemals sein wird’. De kunstenaar gunt ons een blik op een efemere, verpersoonlijkte wereld die eigenlijk geen bestaan kent. Wat vroeger religie was is nu kunst en wat vroeger kunst was is nu religie. Met deze omdraaiing worstelt Rykwert en daarin schuilt ook het aantrekkelijke van dit boek. Rykwert wil zich niet opstellen als theoreticus (in zoverre dat hij zich juist keert tegen een onmiddellijke toepasbaarheid van zijn denken in de architectuur) omdat zijn liefde uitgaat naar de geschiedenis en hij kan geen historicus zijn omdat hem daarvoor de nodige strengheid ontbreekt. Rykwert zwemt in de kloof tussen zijn historische kennis en zijn vaardigheden als gedreven schrijver, op de scheidslijn tussen feit en fictie. Wie dat in gedachten houdt kan zich aan dit boek van Rykwert weer vol eten met heerlijke historische wetenswaardigheden. Wat voor de kunstenaar geldt geldt ook voor Rykwert: ‘Seine Welt zeigt er, die niemals war, noch niemals sein wird’. Daardoor hoort The Judicious Eye ook geheel thuis in het domein van de architect, tenminste in dat van de fantasievolle architect die zijn verantwoordelijkheid als kunstenaar accepteert.