Feature —

Wat nu?

Erik Stekelenburg

Wat moet een stedenbouwkundige doen en wat is goede stedenbouw? Deze vraag stond 10 juli centraal in een debat over de visie van vier jonge Utrechtse stedenbouwkundigen op hun vak, georganiseerd in het kader van de expositie Nieuwe Lading – Stedenbouw in het Utrechtse architectuurcentrum Aorta.

De provincie Utrecht telt maar liefst twaalf na 2000 afgestudeerde en hier werkzame stedenbouwkundigen. Voor deze debatavond in Aorta werden vier van hen geselecteerd, twee dames en twee heren: Ingeborg Thoral (MIXST), Mariska Louman (Dolte), Arnold Meijer (Inbo) en Paul van Kerkoerle (SVP). De dames – vooral Thoral – legden de nadruk op mensen. De heren brachten hun visie.

Lampenkappen en vliegvelden

De 'Nieuwe Lading' stedenbouwers beheersen het ambacht volgens curator Robert Broesi, maar 'zijn nu gevraagd om verleidelijke beelden”. Een beeldbeluste bezoeker met tekstallergie krijgt bij binnenkomst in Aorta echter meteen een klap in het gezicht. Behalve bij Ingeborg Thoral: haar 'wensenlamp', een beschrijfbare lampenkap, duikt in de diapresentatie op in straten en tijdens inspraakavonden. “Een inspraakavond moet gezellig zijn, het is theater met de stedenbouwkundige als regisseur.” Een groot presentatiebord met stedenbouwkundige tekeningen en beelden hangt als decor naast haar lampenkap. Duidelijk, maar ook mager.

Mariska Louman heeft meer vierkante meter lampenkapvlak. Haar kap staat bol van ideeën en kijkgaten over de aanjagende, informerende, inspirerende en verleidelijke rol. Onder een kleine lampenkap draait een SimCity-achtig inspraakprogramma, ontwikkeld door Arch¡ware voor de polder Mastenbroek in 2001. “De stedenbouwer moet een visie vertalen naar maatschappelijk debat, vakjargon moet begrijpbaar worden voor leken en stedenbouw moet omgezet worden naar planbeheer”. Volgens Louman heeft dit soms veel weg van entertainment en “daarbij is de verbeelding je grootste troef.”

Paul van Kerkoerle plaatste een brede stedenbouwkundige maquette met een plan voor de voormalige vliegbasis Soesterberg. De lettertjes van de legenda zijn echter te klein om de boodschap over te brengen. Het pamflet Herover vliegbasis Soesterberg vertelt dat de provincie het ‘rood voor groen’ principe bedacht, men lokaal goed weg wist met het groen maar uiteindelijk struikelde over ‘het rood’ dat het moest betalen. Het plan passeert bestuurlijke grenzen, ook figuurlijk omdat de provincie er niet uit kwam en raad zocht bij een particuliere partij. “Zet visie in tegen verrommeling. Red het landschap door de fysieke grenzen van het landschap boven de bestuurlijke grenzen te stellen”, aldus Kerkoerle.

Arnold Meijer wilde graag vliegen en belandde bij zijn keuze tussen cartografie en stedenbouw. “Stedenbouw is het ontwikkelen van een stadsplattegrond en het onbenoemde.” Hij had zich boos gemaakt om een gemeentefolder met informatie over een lange fly-over bij het 24 Oktoberplein. “Die de snelweg de stad inbrengt”, hoorde ik na afloop fluisteren. Meijer neemt de bezoeker in vogelvlucht mee boven 'de westelijke entree van Utrecht', langs het probleem en zijn alternatief: de fly-over gereduceerd tot een brugaanlanding waaronder de aarde is verwijderd. Dan duikt de afrit van de snelweg eerbiedig onder het 24 Oktoberplein en de wijkverbinding door.

1 de grote kap van Marisla Louman
1 de grote kap van Marisla Louman
2 kijkgat in de grote kap van Louman toont een toekomstbeeld voor het hergebruik van koeltorens
3 Tracy Metz ondervraagt Arnold Meijer
4 Paul van Kerkoerle vindt dit door KCAP geproduceerde beeld van de Rotterdamse Wijnhaven ‘echte stedenbouw’

Hummer of acupunctuur

Tracy Metz leidde het debat met Rudy Stroink (directeur TCN Property Projects), filmmaker Jord den Hollander, Maarten Schmitt (stadsstedenbouwer Den Haag) en Annemiek Rijckenberg (VROM-raad-lid) en de vier geselecteerde stedenbouwkundigen. Stroink schopte tegen het zere been: “Een goed ontwerp staat of valt met een duidelijke opdracht. Die opdracht hoeft niet per se te komen van degene die controleert. Verantwoordelijkheid is een publieke zaak, iedereen kan met een idee naar de gemeente.” Maarten Schmitt: “Ik heb weinig op met het duurzame publieke belang dat Rudy Stroink daarin vertegenwoordigt”. Maar, “de droom kan van een ontwikkelaar komen”, vond ook Van Kerkoerle, bij Vliegbasis Soesterberg was hij al geconfronteerd met bestuurlijke grenzen. “Doordat ieder zijn ding doet zijn we de grote lijn en visie kwijtgeraakt', vindt Louman. Ook de Architectuurnota is zoekende, blijkt uit een citaat van Tracy Metz. “Alsof we kunnen weten wat stedenbouw is…', reageert Maarten Schmitt. De regering snakt volgens hem naar visie. 'Er is iemand nodig die de opdrachten formuleert en dat hoeft niet degene te zijn die betaalt, want die kijkt te lokaal. Kijk naar Dubai, de Hummer onder de wereldsteden. De rijksbouwmeester – met nota bene vier adviseurs – stelt ook geen ene sodemieter voor. Minister Schut had moed. Maar alle ministers daarna, tot en met de meest gratuite meneer Plasterk, verklooien de hele ruimtelijke ordening als het gaat om architectonische en stedenbouwkundige kwaliteit. Het zijn schijnheilige, lege, voze praatjes.”

De mildheid van Annemiek Rijckenberg over het verlangen naar nieuwe ideeën en condities voor goede architectuur – ze noemde veranderbaarheid – wekte een lach op, ze zou zelf ook zijn getransformeerd. Rijckenberg stipuleerde: “Iedereen heeft het recht om te veranderen.”

Strak en vrij

Jord den Hollander brak tweeslachtig een lans voor een stedenbouw met open eindjes in combinatie met een heldere opdracht en een strak grid als kader. Den Hollander: “De Bijlmer was een duidelijk concept. De ganse heroïek van de volkshuisvesting is daar neergelegd. Eén verkeerde inzet en zo’n wijk gaat teloor. We kunnen onze wensen niet formuleren en leven heel goed in de misverstanden van degenen die voor ons hebben geleefd.”

Berlage werd als positief voorbeeld aangehaald. Maarten Schmitt ziet bij hem de rigide structuur en het onaffe samengaan in zijn plan voor Amsterdam Zuid. Hetzelfde geldt voor Dudok's Den Haag Zuidwest. Over de fouten merkt hij op: “Zo’n bloemkoolwijk heeft alles te maken met opleiding. Je ziet het ook aan deze jonge stedenbouwkundigen, ze hebben op school geen sodemieter geleerd. Het zijn allemaal architecten, heel erg maniëristisch en ze gaan voor beeld. Delftse stedenbouwers kunnen hun vak niet positioneren, daar werk ik niet mee.” De technische universiteiten leggen het in dit stedenbouwdebat af tegen de Academies van Bouwkunst waar Thoral en Meijer studeerden (Kerkoerle heeft in Delft gestudeerd, Louman in Eindhoven).

Volgens Tracy Metz zei de Utrechtse wethouder van Publieke Werken J.P. Fockema Andreae in 1912 veel waars met zijn uitspraak: “De hedendaagsche stedenbouwer moet als allesbeheerschend leider de beslissingen nemen; dat wil zeggen uit den chaos van gegevens, adviezen en inzichten een doelmatig en schoon geheel te voorschijn brengen' (uit: J.P. Fockema Andreae, De hedendaagsche stedenbouw, p. 39-40).

Ondanks de geuite kritiek op het beeldgebruik bewijst de hang naar vroeger dat beelden voor de toekomst nodig blijven. Zolang de blik maar verder reikt dan de hits onder afbeeldingen.