Feature —

Oase 25 jaar

Marina van den Bergen, Piet Vollaard

Het Tijdschrift voor Architectuur Oase bestaat 25 jaar en dat werd gevierd met een speciaal nummer getiteld 25 Years of Critical Reflection on Architecture en een gelijknamig debat op een zonnige dinsdagmiddag in het auditorium van het NAi.

In de uitnodiging voor het feestje stond dat het die middag zou gaan over de mogelijke invloed van architectuurtijdschriften op het debat en het architectuurklimaat. Gezocht zou worden naar antwoorden op vragen naar de relatie tussen ontwikkelingen in de praktijk en tijdschriften, en naar de mogelijke wederzijdse invloed tussen reflectie, onderzoek, kritiek en praktijk. Tamelijk zware kost, zo op het eerste gezicht. Maar schijn bedriegt, net als Oase zelf, dat vaak hermetisch oogt in zowel thema, vormgeving en titels van de artikelen, maar bij nadere bestudering best toegankelijk is.

Gangmaker van het feestje was Beatriz Colomina met haar lezing Clip/Stamp/Fold, the radical architecture of little magazines 196X-197X. Samen met haar promovendi aan de faculteit architectuur van de Princeton University maakte zij een tentoonstelling over onafhankelijke architectuurtijdschriften die in de jaren zestig en zeventig in achterafkamertjes van universiteiten en aan keukentafels in elkaar werden gezet.

In een vrolijke presentatie met veel nostalgieplaatjes en amusante citaten, vertelde Colomina over de opkomst en ondergang van de vele zogenaamd little magazines. Blaadjes die met elkaar gemeen hebben dat het collectieve producties waren die in eerste instanties werden uitgegeven uit onvrede. Met name onvrede over het feit dat men ideeën en onderzoek niet gepubliceerd kreeg bij bestaande tijdschriften. En wat ligt er dan meer voor de hand om zelf een tijdschrift te gaan maken? Soms bleef het bij één of enkele nummers – denk aan Archigram of Oppositions – andere gingen in de loop van de tijd bij de gevestigde orde behoren – zoals Oase, maar daarover later meer. De little magazines waren trouwens geen uitvinding van de jaren zestig, zo hield Colomina haar gehoor voor. In 1919 startte Le Corbusier samen met Amédée Ozenfant het tijdschrift L'esprit Nouveau waarin zij hun ideeën over beeldende kunst en architectuur publiek maakten, was Mies van der Rohe betrokken bij het G-magazine om zijn opvattingen over architectuur gepubliceerd te krijgen en publiceerde Wijdeveld in 1918 het eerste nummer van Wendingen.

Ook de little magazines van de jaren zestig en zeventig werden gebruikt ter promotie van eigen opvattingen over architectuur. Hoezeer deze opvattingen aansloegen, mag blijken uit het feit dat gerenommeerde architectuurtijdschriften als L'Architecture Aujourd'hui, Casabella, Domus en AD de vormgeving en thematiek – het ging vaak over alles behalve over hardcore architectuur – van little magazines begonnen over te nemen.

Ook Oase begon 25 jaar geleden als een little magazine.Uit onvrede over het toen gangbare onderwijs op de architectuurfaculteit in Delft besloten een aantal studenten zelfstandig onderzoek te verrichten en te publiceren over onderwerpen die hen op dat moment bezig hielden. Het begon als O Ontwerp, Onderzoek en Onderwijs en na tien nummers werd het Oase. Oase is nog steeds in een aantal opzichten uniek: het heeft geen hoofdredacteur, er is volgens de redactie zelf geen redactionele lijn te onderscheiden, en komen de thema's die worden behandeld , puur voort uit de particuliere fascinatie van een redactielid.

Het maken van een Oase-nummer neemt vaak anderhalf tot twee jaar in beslag. Oase doet dan ook niet mee aan de waan van de dag, en kan alles met een zekere afstand waarnemen, aldus redacteur Christoph Grafe in zijn voorwoord. Het mooie van deze sloomheid is dat een Oase-nummer tijdloos is, thuis verdwijnt het vaak ongelezen in de kast om vervolgens vele jaren later te worden opgepikt voor dat ene, nog steeds interessante en relevante artikel. Nadeel van deze sloomheid is, dat het tijdschrift iedere vorm van urgentie en actualiteit mist. Kan er dan nog sprake zijn van kritische reflectie?

In het debat dat volgende op de lezing van Colomina schenen (oud)redactieleden verdeeld over de vraag, hoe nu verder?

De oorspronkelijke aanleiding om Oase te maken, lijkt minder urgent dan 25 jaar geleden. Onderzoek maakt meer dan voorheen intergraal onderdeel uit van het curriculum en het publiceren daarover is ook nauwelijks meer een probleem. Ieder zichzelf respecterende vakgroep geeft tegenwoordig een tijdschrift uit, er kan immers financieel en publicitair worden gescoord met ‘wetenschappelijke’ publicaties, en anders zijn er nog websites en blogs.

Moet Oase agenderend zijn, zoals Grafe wenst? Moet het een e-zine worden? Geheel Engelstalig? Oud redactielid Dirk van den Heuvel verzuchtte tijdens het debat dat Oase volwassen was geworden, hij nam zelfs het woord oud in de mond. En hoewel er studenten in de redactie zitten, naast promovendi enstafmedewerkers, vond Van den Heuvel dat studenten eigenlijk een eigen Oase zouden moeten beginnen.

Maarten Delbeke (universiteit Gent) wenste Oase een flinke midlifecrisis toe. In de architectuur lijdt men aan geheugenverlies, iedere tien jaar komen weer dezelfde onderwerpen naar boven, zo ook bij Oase. Delbeke's gelijk werd direct aan het einde van de middag bewezen met de presentatie van Oase's nieuwste nummer over Context, een fijn jaren 90 onderwerp.

Het jubileumnummer Oase #75, 25 Years of Critical Reflection on Architecture, met 320 pagina’s een dubbeldikke en uitsluitend Engelstalige uitgave, geeft in 15 artikelen uit de afgelopen 25 jaar een overzicht van het soort onderwerpen die Oase tot Oase maakt, en daarmee van het academische discours uit die periode. Veel artikelen verschijnen bovendien voor het eerst in Engelse vertaling (de Nederlandse versie moet u maar uit de oude nummers halen). Maar ook voor trouwe abonnees is er, naast de vele Oh, ja!-momenten, nog veel te halen.

De artikelen, die samen toch wel een beetje als Oase top 15 mogen worden gezien, worden door oud-redactieleden ingeleid en geplaatst in de discussies en onderzoeksthema’s van destijds. Van het Plananalyse-artikel van Miel Karthaus uit de eerste aflevering van O tot On Domains van Kristiaan Borret uit Oase 54. Met daartussenin pareltjes als Joost Meuwissens ‘Aldo in Wonderland’,  Jurjen Zeinstra’s  ‘Houses of the Future’ en een discussie tussen Meuwissen en Carel Weeber over het architectuuronderwijs. Allemaal nog steeds zeer lezenswaardige stukken.

Minstens zo leuk zijn de vier essays die ieder een min of meer afgebakende periode in de Oasegeschiedenis bespreken. Elke auteur doet dat op een eigen wijze. Alexander Tzonis (periode 1981-84) geeft een zeer persoonlijk ‘getuigeverslag’ van zijn komst naar Delft en de discussies die hij destijds aantrof. Overigens opmerkelijk genoeg zonder zijn toenmalige geschiedeniscollega Stanislaus Von Moos te noemen, zeer persoonlijk inderdaad. Bernard Colenbrander pakt het weer anders aan. Hij beschrijft de periode 1985-1989 veel meer als een architectuur-, debat- en ideeëngeschiedenis, waarbij de link met Oase niet altijd even duidelijk is, maar het informatiegehalte des te hoger. Zoals altijd in elke Oase staat er wel een artikel in waarvan je als doorsneelezer even helemaal geen chocola kunt maken. Wat Gerard van Zeijl, die de periode 1990-1996 bespreekt naar aanleiding van de (overigens uitstekende) vormgeving van Karel Martens, nu precies wil zeggen, geen idee. De Eisenmanniaanse titel ‘O, Oase, Oh’ is overigens wel weer heel erg jaren negentig.  Tot slot bespreekt Maarten Delbeke de laatste periode waarin Oase tweetalig werd en ook steeds meer aan ging sluiten op internationale, academische onderwerpen.

Het is terugkijkend de vraag of Oase ooit agenderend is geweest, daarvoor reageert het blad toch vaak te traag op de ontwikkelingen. Juist die afstand, zelfs een zekere tijdloosheid, is de kracht van veel van de artikelen die in deze special zijn samengebracht. De wens van Christoph Grafe om desondanks de agenda te gaan bepalen doet dan ook wat (wereld)vreemd aan. Juist de traagheid, gemengd met een zekere academische distantie, is de kracht van Oase. Misschien niet zo spannend, en het zal in toenemende mate lastig zijn om jong publiek en jonge redacteuren te interesseren, maar dat is Oase, en daar zullen we het ook de komende 25 jaar mee moeten doen.