Opinie —

Rotterdamse sloopdrift

Paul Groenendijk

Ook dit jaar werd Rotterdam door Bouwend Nederland weer benoemd tot de architectuurstad van Nederland. Een discutabele eer voor een stad die er geen problemen mee heeft om haar architectonische erfenis door de sloophamer te laten vernietigen.

Vreewijk, Rotterdam

Alweer een flinke tijd terug lag er in de bibliotheek van het NAi een handtekeningenlijst om te protesteren tegen de sloop van het Rotterdamse tuindorp Vreewijk. Ik heb natuurlijk onmiddellijk getekend. Voor architectuurvorsers en kunsthistorici is het evident dat je een dergelijk belangrijk icoon van de volkshuisvesting bewaart en koestert. En ook de mensen die er met plezier wonen willen niet dat hun wijk wordt gesloopt. Bestuurders, woningbouwcorporaties, stadsplanners en ontwikkelaars denken daar kennelijk anders over.

De voorgenomen gedeeltelijke sloop van Vreewijk staat niet op zichzelf. Er zijn meer locaties in Rotterdam waar bewoners en monumentenzorg samen protesteren tegen al te rigoureuze vernieuwing. Het betreft objecten van uiteenlopende architectonische en stedenbouwkundige kwaliteit, zoals Nieuw-Crooswijk, de Lijnbaanhoven en Vreewijk. Rumoer over ingrijpende sloop en herstructurering is een landelijk fenomeen, maar de Rotterdamse situatie is wel trendsettend.

De laatste decennia is het traditionele monumentenbeleid verruimd. Behalve eerbiedwaardige gebouwen als kerken, raadhuizen en woningen voor de gegoede klasse komen door de opschuivende leeftijdsgrens van vijftig jaar ook objecten uit de eerste helft van de twintigste eeuw in aanmerking voor een beschermde status. Zoals volkswoningbouw en industriële architectuur. Een probleem bij monumenten van de volkshuisvesting is de omvang. Het is immers gemakkelijker één villa aan te wijzen dan een hele wijk. Maar het heeft geen zin om bijvoorbeeld één woning in het galerijcomplex in Spangen of de Bergpolderflat de status van monument te geven. Als je zo’n complex wilt beschermen, zal je het in zijn geheel moeten doen en dan heb je er in één keer een paar honderd monumenten bij. Tuindorp Vreewijk is nog omvangrijker; tussen 1917 en 1942 zijn hier in totaal 5700 woningen gebouwd. Een deel ervan is overigens al eerder gesloopt en er is ook flink huisgehouden tijdens de stadsvernieuwingperiode in de jaren tachtig. De kwaliteit van Vreewijk ligt maar voor een klein deel in de woningen. Van belang zijn de verkaveling, de straatprofielen, het groen, de waterlopen. En verder natuurlijk de sociale context en historie, want de wijk is het initiatief van de bekende Rotterdammer K.P. van der Mandele, het eerste ontwerp werd door Berlage getekend – het gerealiseerde ontwerp werd gemaakt door Granpré Moliere, Verhagen en Kok –  en hier woonden befaamde schrijvers als Jef Last en Willem van Iependaal, de schilder Wout van Heusden, de architect Mart Stam en vele spelers en trainers van Feyenoord.

De kwestie Vreewijk gaat niet alleen over architectonische of stedenbouwkundige kwaliteit. Achterliggend idee bij de Rotterdamse sloopplannen is de wens hogere inkomens naar de stad (terug) te krijgen. Die komen alleen af op kwalitatief goede woningen in mooie, veilige wijken, zoals Vreewijk. Alleen staat daar goedkope sociale woningbouw waar nog mensen in wonen, waaronder relatief veel bejaarden en mensen met lage inkomens. Door nu die goedkope woningen op aantrekkelijke locaties te slopen en te vervangen door dure nieuwbouw, sla je meerdere vliegen in één klap. Je trekt bewoners met hogere inkomens aan (en met een beetje geluk verdwijnen de lage inkomens uit de stad), je scoort in de nieuwbouwstatistieken en de marktpartijen (ontwikkelaars, woningcorporaties, gemeente en architecten) verdienen er goed geld mee.

Voorwaarde is wel dat het woningbezit van één eigenaar is, want anders moet je allerlei ingewikkelde onteigeningsprocedures in gang zetten. In Nieuw-Crooswijk, stedenbouwkundig en architectonisch het minst waardevol, is die tactiek gelukt. Bij de Lijnbaanhoven ligt Monumentenzorg dwars en in Vreewijk gaf minister Plasterk een duidelijk signaal toen hij onlangs voorstelde de wijk de status van beschermd stadsgezicht te geven. Op kleine schaal is een vergelijkbaar proces aan de Essenburgsingel in Rotterdam-West na hevige bewonersprotesten afgeblazen. Ook hier blijkt het enige motief voor sloop de Rotterdamse bevolkingspolitiek en het gegeven dat deze woningen eigendom zijn van één woningcorporatie. Of de woningen kwalitatief goed of slecht zijn en of de huurders er tevreden mee zijn doet niet ter zake. Een bewoner verwoordde de crux van de problematiek op RTV Rijnmond heel treffend: “De hoge inkomens waren allemaal te laf om te blijven, de lage inkomens zijn de stad trouw gebleven.”

Het is vermoedelijk praktisch onmogelijk heel Vreewijk op de Monumentenlijst te zetten. Maar het is zeker mogelijk de essentie van het stedenbouwkundige plan te bewaren en waar mogelijk te versterken, bijvoorbeeld door de door de stadsvernieuwing toegetakelde woningen te reconstrueren. Er zijn voldoende mensen die genoegen nemen met een eenvoudige, niet al te grote woning. Sloop en nieuwbouw kun je beter inzetten in kwalitatief slechte wijken, bij door huisjesmelkers verwaarloosde krotten. Maar dan duurt het proces lang, zijn de vernieuwingen niet zichtbaar en kan de politiek er niet mee scoren.