Feature —

Werelderfgoedstatus: bescherming, beloning of bedreiging?

Vincent Kompier

De Amsterdamse grachtengordel komt op de werelderfgoedlijst. Dat is althans de wens van de gemeente Amsterdam en de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. De grachtengordel maakt goede kans. Maar wat betekent dit voor de verdere ontwikkeling van de binnenstad? Wat laten buitenlandse voorbeelden zien aan voor- en nadelen?

Sinds 1972 stelt de Unesco (United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization), ofwel de culturele organisatie van de VN, een lijst van het werelderfgoed samen. Op deze lijst staan circa 800 culturele monumenten, natuurgebieden en locaties. Hoofddoel is wereldwijde bescherming van deze monumenten en gebieden met uitzonderlijke universele waarde voor toekomstige generaties. Nederland komt zes keer voor op de werelderfgoedlijst, met onder meer de polder De Beemster, de Stelling van Amsterdam en het Rietveld-Schröderhuis. En nu wordt de 17e eeuwse grachtengordel van Amsterdam voorgedragen. Niet alleen vanwege de bijzondere stedenbouw en architectuur. Ook immateriële aspecten als tolerantie en diversiteit, wetenschap, kunst en filosofie, koopmansgeest en vrijhandel – allen gerelateerd aan de ontstaansgeschiedenis – zijn belangrijke criteria. Of in termen van de UNESCO: Outstanding Universal Value. Halverwege 2009 neemt het World Heritage Committee in Parijs een beslissing. Mocht alles lukken dan komt de grachtengordel in 2010 op de lijst, naast de Chinese Muur en de piramides van Gizeh in Egypte.

Gluren bij de buren

Duitsland is met 33 nominaties grootverbruiker in werelderfgoed. Maar het land laat ook zien dat plaatsing op de lijst geen levenslange garantie op de status biedt. De bouw van een wolkenkrabber tegenover de Keulse Dom (sinds 1996 werelderfgoed) was in 2004 reden voor de UNESCO om de Dom (tijdelijk) op de rode lijst van ‘bedreigd werelderfgoed’ te plaatsen. Reden: hoogbouw tast de bijzondere betekenis en de visuele integriteit van de Dom aan. Het verweer van Keulen dat de Dom, en niet de stad op de lijst staat mocht niet baten. Onder zware druk van de bevolking is het beleid aangepast. Er werd een hoogbouw-taboe-zone rondom de Dom vastgesteld en Keulen heeft voor de rest van de stad een hoogbouwbeleid opgesteld. Ook in Dresden dreigt de Unesco het feest te verstoren. Het Elbedal, sinds 2004 werelderfgoed, is in 2006 alweer naar de rode lijst verschoven nu er plannen zijn om een autosnelwegbrug over de Elbe te bouwen. En Hamburg heeft dit jaar met succes geprotesteerd tegen de voordracht van het Waddengebied. De omvang van het gebied is verkleind om de groeimogelijkheden van havenstad Hamburg niet in gevaar te brengen.

Bescherming, beloning of bedreiging?

De beloning voor een plaatsje op de werelderfgoedlijst bestaat voornamelijk uit meer toeristen. En een bedreiging? Nee, zeggen de kenners. Want de Unesco geeft geen geld aan de stad of de individuele eigenaar. Hoogstens verruimt de status de mogelijkheden om (Europese) subsidies te krijgen. De toelating van gebouw of gebied tot de werelderfgoedlijst betekent geen formele bescherming. Ook kan de Unesco bij toekenning geen extra regelgeving opleggen, het is aan de aanvrager zelf om afdoende maatregelen te treffen. Amsterdam diende daartoe de historische binnenstad tot Beschermd Stadsgezicht te verklaren. Dat betekent dat het totaalbeeld in takt moet blijven. De gemeenteraad is nu verplicht om bestemmingsplannen met een beschermende karakter vast te stellen. Daarin worden, rooilijnen, maximumhoogten en gebruik van de percelen – overigens zonder oordeel over stijl of smaak – vastgelegd.

boven: zicht op Amsterdam Noord vanaf de Singel
onder: zicht op Amsterdam Noord na bouw Overhoeks vanaf de Prins Hendrikkade

Tot zover de theorie. En de praktijk?

Het toekennen van de werelderfgoedstatus kan worden vergeleken met het verkrijgen van een Michelinster; deze wordt toebedeeld, levert in principe geen geld op, maar er moet hard gewerkt worden om ‘m te behouden. Het is de taak van Amsterdam om alle mogelijke beschermingsmaatregelen en controle-instrumenten uit te voeren. En daar schort het in de praktijk aan; voortdurend worden monumenten – vooral in het weekend – illegaal verbouwd. Handhaving is een zwak punt bij de gemeente Amsterdam. Bij aantasting kan de Unesco hoogstens met plaatsing op de rode lijst dreigen. Goed voor het imago van de stad is dat niet, maar formeel betekent het niets. De Unesco heeft om diplomatieke redenen tot nu toe nooit iets van de werelderfgoedlijst geschrapt.

Hoewel Unesco de huidige bebouwing als uitgangspunt neemt kan zij met eigen ogen zien dat Amsterdam voorlopig niet ophoudt met bouwen. Twee maanden na de aanvraag voor de werelderfgoedstatus heeft de Raad van State bezwaren tegen de hoogbouwplannen op Overhoeks aan de overkant van het IJ afgewezen. Daar zijn torens tot 110 meter hoog gepland in lijn met de bestaande toren Overhoeks, om het beeld vanuit de binnenstad niet al te veel te verstoren. De gemeente is van mening dat deze plannen geen invloed hebben op de toekenning van de status omdat zij buiten de buffer rondom de 17e eeuwse grachtengordel vallen. De Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad denkt daar uiteraard anders over.

Het is de vraag of de gemeente Amsterdam goed beseft wat de Unesco-term ‘behoud’ betekent voor de verdere ontwikkeling van de binnenstad. Behoud is geen vernieuwing. Of zoals architectuurhistoricus Vincent van Rossem op een conferentie over de monumentale binnenstad van Amsterdam zei: ‘architecten moeten weten zich op het kritische moment beschaafd te gedragen’. Hoewel de werelderfgoedstatus nog toekomstmuziek is zal het in praktijk leiden tot minutieus en van geval tot geval bekijken van nieuwbouwinitiatieven in de historische binnenstad. Dat is winst: meer aandacht voor individuele plannen kan leiden tot discussie en betere, weloverwogen afwegingen en ontwerpen. Maar een goed gemeentelijk sanctiebeleid bij overtredingen blijft onontbeerlijk. Anders leidt de status tot louter schmieren op de bühne.