Feature —

Dubodag 2008

Jacques Vink

Moeten we ons (woon)gedrag aanpassen om de wereld te redden of niet? Deze kwestie kwam niet aan de orde op de Dubodag 2008 maar speelde wel een onuitgesproken rol binnen de verschillende presentaties.

Voor de elfde maal werd de DUBO (duurzaam bouwen)-dag georganiseerd; diverse onderzoeksinstellingen, bedrijven en overheden kregen de kans zich te presenteren. Veelvuldig werd er over Cradle to Cradle (C2C) gesproken, niet alleen door Adri Duivesteijn die het als raamwerk inzet voor het ruimtelijk beleid van Almere, maar ook te pas en te onpas door de vele andere sprekers. C2C gaat er van uit dat we ons gedrag niet hoeven aan te passen. Door energie direct van de zon af te tappen en materiaalkringlopen sluitend te maken kunnen we hetzelfde effect bereiken zonder het milieu te belasten, aldus Braungart en McDonough. Met andere woorden: we hoeven niet te minderen met consumptie, maar we moeten wel de zaken slimmer aanpakken. Dat we niet hoeven te bezuinigen verklaart waarom C2C zo populair is onder CEO’s van grote bedrijven. Immers, de productie kan – mits we het anders aanpakken – op niveau blijven. Daarnaast is C2C een holistische theorie. Het is een raamwerk voor alle aspecten van duurzaamheid. Het spreekt een taal waarmee ontwerpers, producenten en beleidsmakers samen kunnen werken aan een complexe opgave zoals het vormgeven van het ruimtelijk beleid van een stad.

Als een van de weinige sprekende architecten tijdens de Dubodag, gaf Erik Franke een bevlogen pleidooi voor het concept ‘het passief huis’. Conform de door de TU Delft ontwikkelde Trias Energetica wordt er hierbij in eerste instantie voor gezorgd dat zo min mogelijk energie nodig is, om vervolgens de energie die alsnog nodig is uit duurzame energiebronnen te halen. Als dat niet toereikend is wordt de nodige energie uit efficiënte systemen gehaald die gebruik maken van fossiele energie. Met andere woorden: zorg er voor dat de warmte die de bewoners en hun moderne huishoudelijke apparaten produceren niet kan ontsnappen. Dit kan op een betrekkelijk eenvoudige manier door een hoge isolatie, een kierdichte detaillering en een oriëntatie van de ramen op het zuiden. We hoeven onze duurzame of conventionele energiebronnen dan alleen nog aan te spreken voor de verlichting en het functioneren van onze spullen.

Juist deze onderlinge afhankelijkheid zorgt er voor dat het ‘passief huis’ concept door velen – zoals onder andere ontwikkelaar AM – kritisch wordt gevolgd. Immers het gedrag van de bewoners heeft invloed op het binnenklimaat. Soms zal een extra trui nodig zijn en er zal rekening gehouden moeten worden met de apparatuur die je aanschaft. Ook McDonough wijst indirect (in het boek Cradle to Cradle) op de bezwaren die vaak aan het passieve huis worden toegeschreven, namelijk, dat het benauwde woningen zou opleveren. Het is enigszins tendentieus om zo over het passieve huis te oordelen gezien de vele voorbeelden die, volgens enthousiaste bewoners, wel degelijk aangename woningen opleveren.

Zou de vele aandacht voor duurzaam bouwen op dit moment een hype zijn of is duurzaam bouwen onlosmakelijk verbonden met onze beroepspraktijk? De vele ontwikkelaars die vertegenwoordigd waren als bezoeker dan wel als spreker maken duidelijk dat duurzaam bouwen anno 2008 commercieel interessant begint te worden. Een groot verschil met tien jaar geleden is dat niet alleen energie maar ook het aanbod aan materialen schaarser wordt. Schaarste maakt materialen en energie kostbaar. Producten, gebouwen en steden die slim met energie en materialen zijn daardoor ook economisch interessant. Dankzij oplossingen waarbij we ons niet anders hoeven te gedragen, kan duurzaam bouwen een manier worden om veel geld mee te verdienen.