Recensie —

Onzichtbaar werk

Harry den Hartog

‘Het grootste compliment is als mensen zeggen: ik zie niets – terwijl ik juist een kwart van de bomen heb weggehaald.’ Het werk van landschapsarchitect Michael van Gessel kenmerkt zich door een vanzelfsprekende terughoudendheid. Onlangs verscheen een monografie getiteld Onzichtbaar werk.

De vormgeving van dit schitterende boek is net als het werk van Michael van Gessel, ingetogen met subtiele details en daardoor uitgesproken krachtig. In de inleiding beschrijven Christian Bertram en Erik de Jong hoe de discipline landschapsarchitectuur afgelopen eeuw groeide en zich vooral na de oorlog steeds meer ontwikkelde als zelfstandige discipline. Het oeuvre van Van Gessel speelde binnen die ontwikkelingen een belangrijke rol.

Van Gessel heeft een indrukwekkend portfolio opgebouwd. Na zijn studie in Wageningen bij de vakgroep landschapsarchitectuur ging hij werken bij het bureau van Riek Bakker en Ank Bleeker – een van de eerste zelfstandige landschapsarchitectenbureaus, en waar hij vanaf 1991 als directeur mede sturing aan gaf. Na Bureau Bakker en Bleker (dat tegenwoordig Bureau B+B heet) verzelfstandigde Van Gessel zich in 1997. Naast een groot aantal renovaties van bekende parken (o.a. Park Valkenberg, Breda) en landgoederen (o.a. landgoed Twickel in Twente) ontwierp Van Gessel een reeks particuliere tuinen en enkele gedenkplaatsen. Daarnaast was en is Van Gessel betrokken bij het ontwerpen van stedelijke openbare ruimten, met name ook in stadsvernieuwingsprojecten. Als supervisor voor verschillende projecten begeeft hij zich op het snijvlak tussen stedenbouw en landschapsarchitectuur.

De ingrepen van Van Gessel bestaan vaak uit het weghalen van elementen om daardoor rust en ruimte te creëren. Voor een buitenstaander is de ingreep en het verrichte werk daardoor ‘onzichtbaar’. Het resultaat is helderheid en een welhaast vanzelfsprekende vertrouwdheid, alsof het er altijd al zo is geweest.

Na de redactionele beschouwing volgen in het boek een drietal essays, door respectievelijk Lisa Diedrich, Clemens Steenbergen en Frits Palmboom, een tweegesprek tussen Van Gessel en Adriaan van der Staay, een serie portretten van gerealiseerd werk door Kim Zwarts en een verzameling tekeningen.

Lisa Diedrich beschrijft in haar essay de positie van de Nederlandse landschapsarchitectuur, en in het bijzonder die van Van Gessel, in relatie tot Europese ontwikkeling binnen het vakgebied. De prijsvraag voor het Parijse Parc de La Villette (B+B eerste prijs ex aequo, 1982) vormde een omslagpunt binnen het vakgebied. Deze prijsvraag zorgde voor een verdere emancipatie van de discipline. Volgens Diedrich is het werk van Michael van Gessel een ‘motor voor de Europese landschapsarchitectuur’.

Clemens Steenbergen schrijft in zijn bijdrage over de architectonische bewerking van het landschap. Het werk van Van Gessel laat volgens hem zien dat landschapsarchitectuur een strategische verbindende positie moet innemen binnen de politieke, economische, historische en culturele krachtenvelden die het landschap fragmenteren.

Frits Palmboom legt in zijn verhaal de nadruk op de rol die Van Gessel speelde als supervisor bij verschillende projecten (o.a. Zuidelijke IJ-oevers). Deze rol laat zien dat de scheidslijn tussen landschapsarchitectuur en stedenbouw als sturende disciplines dun is; volgens Van Gessel zijn vier factoren doorslaggevend voor een succesvol supervisorschap: het gebied, het planconcept, het proces en de mensen.

Het tweegesprek met Van Gessel is meer persoonlijk van aard, over het gevoelsleven en de inspiratiebronnen van Michael van Gessel.

Met zijn afstudeerproject legde Van Gessel in 1978 een basis voor zijn ontwerphouding. In tegenstelling tot de meeste andere ontwerpers koos hij er voor om een herstelplan te maken, voor park Groeneveld bij Baarn. Van Gessel ziet zichzelf als onderdeel in een reeks verschillende gebruikers van het landschap, de mens is te gast op aarde. Het landschap moet niet ten koste van alles naar eigen hand worden gezet. Er moet binnen het ontwerp de nodige ruimte blijven voor de scheppende kracht van de natuur zelf.

Een basis voor Van Gessels werkwijze is het landschapsanalysemodel dat werd ontwikkeld door Jan Bijhouwer en Meto Vroom. Dit model heeft als uitgangspunt vormwil te beperken en de topografie en aanwezige natuurlijke condities in te zetten bij het ontwerpproces. Van Gessel begint een opdracht dan ook altijd met een uitgebreide analyse van de landschappelijke grammatica ter plekke. De essenties van het aanwezige landschap weerklinken in het uiteindelijke ontwerp. Naast het sparen en ruimte maken voor bestaande landschappelijke elementen, wordt het aanwezige door subtiele toevoeging van nieuwe elementen versterkt.

De foto’s van Kim Zwarts tonen de vanzelfsprekendheid van Van Gessels werk. De situaties ogen rustig, vertrouwd en helder. Soms met een vleug romantiek, dan weer strak en zakelijk. Van Gessel verstaat de kunst om met ‘minimale’ ingrepen rust en ruimte te scheppen, door subtiele detaillering en een uitgekiende materiaalkeuze, ‘een materiaal moet mooi verouderen’.

Het sober maar zorgvuldig vormgegeven boek is door zijn robuuste omvang stoer en degelijk. Bijna de helft van de monografie ‘Onzichtbaar Werk’ bestaat uit een thematisch geordende verzameling schetsen en tekeningen. De tekeningen zijn helder en puur, zonder opsmuk. Het is een spiegel van het oeuvre van Van Gessel en vormt een inspirerende referentie voor iedereen die zich met buitenruimte en landschap bezig wil houden.