Feature —

Pleidooi voor stedenbouw

Tijmen Hordijk

Op 9 oktober beet stadsstedenbouwer Maarten Schmitt de spits af van de nieuwe lezingenserie Terugblik van Platform Gras. Het Groninger architectuurcentrum vraagt ontwerpers naar hun ‘oude’ werk te kijken, en daar persoonlijk en kritisch op te reflecteren.

Maarten Schmitt werd in 1944 geboren in Haren, vijf kilometer ten zuiden van de stad waar hij later zou gaan werken. In 1973 trad hij in dienst als stedenbouwkundige bij de gemeente Groningen. De stad lonkte. Enerzijds vanwege haar splendid isolation, anderzijds vanwege het interessante en kansrijke politieke klimaat dat met toenmalig wethouder Max van den Berg een revolutie doormaakte. In 1988 werd hij benoemd tot stedenbouwkundig adviseur en werd met Anco Schut verantwoordelijk voor de afdeling Ruimtelijke Plannen. Maarten Schmitt verliet Groningen in 1998, om stadsstedenbouwer van Den Haag te worden. Anco Schut vertrok naar Utrecht.

Na een korte, maar gemeende aanval op de nieuwe Architectuurnota, die daags voor zijn lezing in de Kamer werd behandeld en volgens hem kleurloos is, nam Schmitt een uur de tijd om terug te blikken op zijn tijd in Groningen. Vijfentwintig jaar werkte hij in deze stad. Zijn passie heeft hij duidelijk nog niet verloren en zijn invloed op Groningen is nog steeds zichtbaar. Voor veel aanwezigen in Groningen moet de lezing dus een feest van herkenning en herinnering zijn geweest.

Centrale thema’s in het verhaal waren de compacte stad, intensivering, binnenstedelijke vernieuwing en culturele manifestaties. Daarmee gaf hij direct – maar op kenmerkend bescheiden wijze – zijn belang voor de stad aan. Deze thema’s zijn immers nog steeds leidend in het denken over de stadsontwikkeling van Groningen.

Met binnenstedelijke opgaven als de Verbindingskanaalzone, de Westerhaven, de Grote Markt en enkele stadsvernieuwingsprojecten toonde Maarten Schmitt het belang dat Groningen hecht aan een levendige en compacte binnenstad, waarin wonen en werken haast symbiotisch naast elkaar staan. Zijn hart klopte voelbaar het snelst bij de plannen voor de uitbreidingswijk Hoornse Meer, die grenst aan een van de grootste recreatiegebieden van de stad. Waar aanvankelijk een plan lag om het terrein te verkavelen in grote percelen met dure koopwoningen en tuinen grenzend aan het meer, is uiteindelijk het tegendeel gerealiseerd. De wijk kent een groot percentage sociale huur- en koopwoningen, die in een helder stedenbouwkundig plan zodanig zijn gesitueerd dat elke bewoner maximaal eenmaal links, eenmaal rechts hoeft te gaan om bij de grootste openbare ruimte van de stad te komen; het Hoornse meer. De kade van het meer is openbaar gebleven en geeft, zoals de compacte stad betaamt, op een overtuigende wijze aan waar de stad ophoudt en het landschap begint.

Na het overzicht, dat – overigens met alle respect – bij de meeste aanwezigen wel bekend was, gunde Maarten Schmitt ons gelukkig nog een blik in zijn zielenroerselen. Twee weken voor de lezing had hij uitgebreid de tijd genomen om langs een aantal van ‘zijn kindjes’ te fietsen. Vol bewondering sprak hij over de stadsmarkeringen (naar idee van Libeskind), het Verbindingskanaal (Koolhaas en Kleihues) en de glasheldere maar bovenal sociaal-democratische aanpak van het Hoornse Meer. Al kan de kade veel beter worden benut, constateert hij. Vol verwachting sprak hij over de intensiveringgebieden die nog op invulling liggen te wachten, zoals het CiBoGa-terrein. Vol verbazing was hij echter over de recente stadsuitbreiding aan de noordwestkant van de stad. Waar het Hoornse Meer de belichaming is van ‘de stad voor iedereen’ en ‘de steenklomp in het landschap’ kennen de uitbreidingswijken Reitdiep en De Held een rafelige rommelrand, waar het landschap geruisloos overloopt in de achtertuinen van door ontwikkelaars gebouwde privé-paradijsjes.

Deze ontwikkeling baart Schmitt zorgen. Het failliet van de stedenbouw, dat volgens hem inherent is aan het failliet van de sociaal-democratie, is funest voor Nederland. Nederland zou volgens Schmitt een fantastisch totaalontwerp kunnen en moeten zijn, maar op dit moment ontbreekt alle ambitie om van de ruimtelijke ordening iets te maken.