Recensie —

Komt dat zien! Situationisme light. Nu met nog minder inhoud!

Merijn Oudenampsen

Op 29 oktober jongstleden organiseerde Arcam een avond over de situationisten. Het werd een ontbijtshowachtige bijenkomst van een tenenkrommende anti-intellectuele kwaliteit die zomaar voor een Televizier-Ring in aanmerking zou kunnen komen.

'Onder het plaveisel, het strand' is een poëtische leus uit '68.
‘Onder het plaveisel, het strand’ is een poëtische leus uit ’68.

Maar laten we bij het begin beginnen. Over aandacht hebben de situationisten niets te klagen. Een reeks van conferenties, tentoonstellingen, lezingen en debatten heeft de Situationistische Internationale (S.I.) inmiddels weer helemaal courant gemaakt. De S.I., voor oningewijden, was een revolutionaire stroming die zo'n vijftig jaar geleden werd opgericht, en zich op het snijpunt van kunst en politiek bevond. Zij stelde zich teweer tegen de vervreemding van de moderne kapitalistische consumptiemaatschappij en verschafte een belangrijke inspiratie voor de opstand van mei '68. Enkele van de belangrijkste concepten die we van de situationisten kregen overgeleverd, zijn het spektakel, de détournement (verdraaiing), de dérive (het dwalen) en hun angst voor re-appropriation (opnieuw ingesloten te worden door het systeem). We worden geleefd, is de kern van hun gedachtegoed, maar er is hoop: achter het masker van de warenmaatschappij schuilt een belofte van spontaan beleefde momenten, die ontsloten kunnen worden door het creëren van zogenaamde situaties, een soort happenings. In het kort gaat het de situationisten er om te leven in plaats van geleefd te worden, om je eigen draai aan de stad te geven, in plaats van verstrikt te raken in de modernistische planning, die voor hen gelijk stond aan een vorm van fascisme.

Bij Amsterdams architectuurcentrum Arcam dacht men door een debat over de Verklaring van Amsterdam te organiseren, mee te liften op de hernieuwde golf van belangstelling voor de S.I. De oorspronkelijk in het Frans opgestelde Declaration d'Amsterdam (1958) is een van de beginselteksten van de S.I., en legt hun toenmalige perspectieven over 'Unitair Urbanisme' uiteen, een concept dat zich tegen de modernistische scheiding van functies van het CIAM richt. De verklaring is ondertekend door Guy Debord, het Franse icoon van het situationisme, en Constant Nieuwenhuis, een Nederlandse kunstenaar die bekend werd met zijn levenswerk New Babylon, hoofdzakelijk een enorme maquette die als metafoor diende voor een utopische stad. De twee kwamen kort daarna in conflict met elkaar, waarna hun wegen zich scheidden. Desalniettemin vormden de denkbeelden vervat in de Verklaring van Amsterdam een belangrijke bron voor zowel het situationisme als het latere werk van Constant.

Aanwezig op de avond waren Jaqueline de Jong, nog steeds een zelfverklaarde situationiste – alhoewel ze weinig enthousiast bleek over het situationistische gedachtegoed, Marcel Hummelink en René Sanders, auteurs van boeken over respectievelijk Constant Nieuwenhuis en de situationisten, en Maarten Kloos, directeur van Arcam. De laatste had een wat klunzige vertaling gemaakt van de Declaration d'Amsterdam en las deze met veel bravoure voor, waarna de andere gasten aan bod kwamen. We leerden hoe het was om met de situationisten in de kroeg te zitten, dat ze 'sociaal politieke' en 'ideologische neigingen' hadden, dat hun teksten de vorm aannamen van 'pseudo-wetenschappelijk gereutel' om ze expres onbegrijpelijk te maken voor 'de mensen', dat ze zichzelf 'te serieus' namen maar af en toe toch humor hadden en dat het creëren van situaties, tenslotte, niets anders inhield dan het creëren van een 'schreeuwerige janboel'. De slagroom op de taart was de bewering van Jacqueline de Jong, dat Nicolas Sarkozy een situationist was, omdat hij de man van de spektakelpolitiek is.

pagina uit 'Constant Nieuwenhuys and Simon Vinkenoog /New Babylon /Ten Lithographs', Galerie d’Eendt, Amsterdam 1963
pagina uit ‘Constant Nieuwenhuys and Simon Vinkenoog /New Babylon /Ten Lithographs’, Galerie d’Eendt, Amsterdam 1963

Tja… Misschien zei de avond uiteindelijk meer over het aanwezige publiek, dan over de situationisten. Het was weer eens een voorbeeld van het zelfgenoegzame anti-intellectualisme waar de Nederlandse cultuursector patent op lijkt te hebben. René Sanders probeerde nog enig tegenwicht te bieden, maar voor de rest passeerden alleen ditjes en datjes de revue. Op de belangrijkste vraag van de avond – wat betekent het situationistische gedachtegoed voor het heden – moesten alle gasten het antwoord schuldig blijven. Dat is toch bizar, gezien de grote invloed die het situationisme heeft gehad op politiek, cultureel en filosofisch niveau. Denk aan de provo's van toen of de Adbusters en The Yes Men van nu, of denk aan kunstgroeperingen als het Critical Art Ensemble of het Graffiti Research Lab, denk aan filosofen als Baudrillard en Lyotard, of de stedelijke theorie van Lefebvre. Het is des te vreemder omdat de situationisten en in het bijzonder Constant de utopische voorlopers waren van het denken over de creatieve stad, dat heden ten dage zoveel populariteit geniet. Zo was Constants New Babylon expliciet geformuleerd als een creatieve stad, en laat punt zeven van de Verklaring van Amsterdam zien dat creativiteit de spil was van het Unitaire Urbanisme dat de situationisten voorstonden: 'Het Unitaire Urbanisme, los van esthetische overwegingen, is de vrucht van een nieuw type collectieve creativiteit; en de ontwikkeling van deze creatieve geest is de allereerste voorwaarde voor een unitair urbanisme.'

De actuele relevantie van het situationisme en de Verklaring van Amsterdam lijkt daarmee overduidelijk. We leven inmiddels in een maatschappij waarin de verhandeling van kennis en creativiteit tot economische motor van de stad is uitgeroepen. Maar in plaats van dat het creatieve domein dient als ontsnappingsroute uit het economische domein, is in de huidige 'creatieve' stad creativiteit verworden tot handelsmiddel. De situationisten leren ons dat alles wat van waarde is, kwetsbaar is, en dat er een continue gevecht aan de gang is omtrent de banalisering en commodificering van cultuur. Zij leren ons dat een werkelijk creatieve stad gebouwd is op de mogelijkheid van creativiteit en ontplooiing voor de massa’s en niet op die van een knuffelbare creatieve klasse. Zij leren ons kortom dat we nog een lange weg te gaan hebben in het creëren en bevechten van een publiek domein in de huidige kennismaatschappij.