Feature —

Twente gaat nat, of het wil of niet

Tom de Vries

“Als jullie hier het water niet vasthouden dan komen we toch met z’n allen naar Twente toe.” Met deze humoristisch bedoelde opmerking met een vilein ondertoontje gaf de uit Delft komende Bert Satijn de zaal van repliek op de klacht dat “wij in Twente weer de hete kolen uit het vuur moeten halen voor dat altijd overheersende westen”.

Aan de vooravond van de waterschapsverkiezingen in Twente werd onder het motto ‘Twente gaat nat’ heftig gedebatteerd over de noodzaak en wijze waarop in de toekomst het water opgevangen moet worden. Satijn is programmadirecteur van de stichting Leven met Water en sprak op een debatavond in Hengelo over de gevolgen van het ‘Tweede Deltaplan’ dat de Commissie Veerman onlangs presenteerde. Maar liefst 12.000 hectare grond moet Twente in tijden van extreme wateraanvoer beschikbaar stellen voor waterberging. Doet Twente dat niet, dan heeft dat niet alleen gevolgen voor de waterhuishouding in de regio zelf, het vele water zal ook voor West-Nederland een ernstige bedreiging vormen.

Organisator Architectuurcentrum Twente heeft tijdens het debat op 13 november drie verschillende invalhoeken in stelling gebracht. Naast het brede, internationale perspectief van Bert Satijn en het concrete en realistische verhaal van Wim Wassink van de Dienst Landelijk Gebied (DLG) was er de utopische vertelling van beeldend kunstenaar Jeroen van Westen. Van Westen ontwikkelde zich afgelopen jaren steeds meer als landschapskunstenaar met een voorliefde voor infrastructuur. Hij gaf een interpretatie van zijn fictieve beleving als oud inwoner van Twente die in 2030, na vijfentwintig jaar terugkeert en in ‘Erve Twente’ het oeroude organisatieprincipe aantreft van naoberschap. Dit sociale netwerk zorgt ervoor dat Twente niet verbrokkelt en dat door samenwerking deze regio ook niet door het water wordt overspoeld of wordt ondergesneeuwd door ‘anderen’. Communicatie is in de optie van Van Westen van groot belang. Dat geldt ook voor de rol van de kunstenaar, die op associatieve wijze de context van de ontwerpopgave (het vertragen, bergen en afvoeren van water) kan vergroten.

Bert Satijn had zijn breed opgezette verhaal als titel meegegeven ‘Van Waterballonnen tot Spettercollages’. Waterballonnen verbeelden de veelheid aan goede maar wel losse ideeën. Spettercollages zijn het resultaat van een vruchtbare samenkomst van die ideeën. Het probleem is volgens Satijn dat ons land als spons niet meer is berekend op clusterbuien en evenmin op een toekomstige watertoevoer via de Rijn van 16.0000 m3/seconde. Aan de andere kant moeten we rekenen op periodes van grote droogte. Klimaatveranderingen zullen buiten Europa tot hongersnood leiden en we moeten ons dan ook voorbereiden op klimaatvluchtelingen om sociale onrust te voorkomen. De opgave waar wij voor staan kan volgens Satijn alleen maar op een integrale wijze benaderd worden, waarbij bouwers, waterbouwers, stedenbouwers, verkeerskundigen maar ook ontwerpers betrokken moeten zijn. Toch blijken de voorspellingen over de klimaatontwikkelingen telkens weer door de werkelijkheid te worden ingehaald. De toekomst blijft dan ook onzeker. Satijn benadrukt dat flexibiliteit een belangrijke voorwaarde is om met de waterproblematiek om te gaan en dat investeren in veerkracht nodig is.

In het door Satijn luchtig gehouden betoog, klinkt ook optimisme door omdat de wateropgave ook veel kansen biedt. Zo ziet hij een aantrekkelijk woonmilieu met allerhande waterwoningen die bij hoogwater onbereikbaar worden (avontuurlijk wonen, één met de natuur…). IJsvrij zoals we dat van vroeger kennen wordt dan watervrij en een grauw, grijs IJsselmeer kan ook veranderen in een dynamisch en boeiend watersysteem.

Wassink toonde hierna hoe de wateropgave een nieuwe ruimtelijke kwaliteit kan bieden. Zijn verhaal ging over De Doorbraak, een nieuw gegraven, 13 kilometer lange meanderende beek die ten zuiden van Almelo, het beruchte ‘putje van Almelo’ gaat ontlasten. In dit lager gelegen gebied komt bij heftige regenval veel water samen. Dat zorgde in 1998 voor zeer ernstige wateroverlast. Met het oog op de toekomst besloot men tot een beeldbepalende landschappelijke ingreep over te gaan. Wassink: ‘Het idee was destijds een utopie, maar ik wordt nu een realist genoemd.’ Trots meldt Wassink dat het project in 2007 werd genomineerd voor de Gouden Piramide, een erkenning van inspirerend opdrachtgeverschap.

Als Wassink doceert over het Twentse landschap, over de vier stuwwallen van Noord naar Zuid en over de vele beken die van Oost naar West stromen, wordt duidelijk dat dit land van oorsprong al erg nat was. Na de kanalisering en ruilverkaveling werd de afvoer van water versneld en werd het land steeds droger. De door klimaatveranderingen voorkomende periodes met piekbelasting vragen dus om maatregelen. ‘Anders dan De Doorbraak want dat is een heel specifieke oplossing’, aldus Wassink. Het ‘Tweede Deltaplan’ en de uitwerking daarvan in Twente is dus niet alleen van belang om West-Nederland te behoeden voor overstromingen maar is ook in het belang van Twente zelf.

Uit het verhaal van Wassink blijkt dat het Twentse landschap behoefte heeft aan water in droge tijden en dat daarom de wateropvang niet geconcentreerd moet worden maar juist verspreid. Géén tweede Blauwe Stad dus in Twente! De in piektijden benodigde 12.000 hectares van Veerman – waar overigens 8000 grondeigenaren mee gemoeid zijn – worden vooral gevonden in de verbreding van beken en waterlopen. De spreiding van de retentiegebieden past volgens Stefan Kuks, de in de zaal aanwezige dijkgraaf van het Waterschap Regge en Dinkel, bovendien beter in het Twentse, kleinschalige landschap. Daarmee was het antwoord gegeven op de suggestie om in het relatief lege gebied tussen Almelo en Vriezenveen een grote recreatiepas te maken (‘Hoeven we met mooi weer niet meer in de file te staan naar de kust’).

Het had één van de ontwerpopgaven kunnen zijn in het ontwerpatelier dat het Architectuurcentrum Twente in samenwerking met het waterschap in het voorjaar van 2009 gaat organiseren. Want het waterschap is er aan toe om ruimtelijke kwaliteit te vertalen in (landschap)architectuur en vormgeving. Twaalfduizend hectare waterberging maken is immers niet alleen een technische en ecologische opgave. Het is ook een esthetische vraag.