Feature —

Op zoek naar ruimtelijke rechtvaardigheid – zonder architecten

Matthias Pauwels

De actualiteit van de Franse filosoof Henri Lefebvre voor de hedendaagse architectuurtheorie en praktijk vormde het onderwerp van een driedaagse conferentie die van 11 t/m 13 november plaatsvond aan de TU Delft. De weinige aanwezige architecten leerden echter vooral hoe ze de stad op zijn Lefebvre’s kunnen lezen, niet hoe ze haar kunnen veranderen.

De conferentie, getiteld Rethinking Theory, Space and Production: Henri Lefebvre Today, past binnen de heuse revival die het werk van Lefebvre op dit moment doormaakt. De meeste architecten zal dit ongetwijfeld ontgaan zijn. Echter, als er één twintigste-eeuwse filosoof is die zich intensief geëngageerd heeft met de stad, en het dus verdiend om gelezen en bestudeerd te worden door architecten, dan is het Lefebvre wel. Zo schreef hij, met name in de jaren zestig en zeventig, verschillende boeken en artikelen over de stad, de productie van de ruimte, de modernistische stedenbouw en het alledaagse leven. Bovendien onderhield hij intense contacten met architecten en planners en nam hij zelfs deel aan architectuurwedstrijden.

Dit verklaart echter niet alles over de hedendaagse fascinatie van planners en geografen voor Lefebvre (1901-1991). Een belangrijke reden is de centrale rol die hij toekent aan de stad, de architectuur en het alledaagse leven voor het doorvoeren van een revolutie van de samenleving – een revolutie waar hij, als overtuigd marxist, zijn hele leven naar streefde. Die revolutie moet volgens hem noodzakelijkerwijs een stedelijke revolutie zijn. Of nauwkeuriger: een revolutie is geen revolutie, als die het alledaagse leven niet fundamenteel verandert. Hiermee ging hij uiteraard rechtstreeks in tegen de toen heersende, orthodoxe opvatting over revolutie, waarin de economie of de politiek centraal stond. Lefebvre’s standpunt maakte hem dan ook tot een dissident binnen de communistische beweging in Frankrijk. Omgekeerd verklaart het zijn grote populariteit bij de opstandige studenten van Mei ’68, voor wie de verandering van schijnbaar secundaire zaken als liefde of onderwijs eveneens essentieel werden geacht.

De winst van Lefebvre’s standpunten voor planners en architecten, is dat zij als producenten van de ruimte en het alledaagse leven, plotseling gepromoveerd worden tot de voorhoede van een veranderende samenleving. Of, anders gesteld, zij zijn niet langer onmachtige, lijdende voorwerpen van wie alle goede pogingen tot maatschappelijke verandering uiteindelijk een slag in de lucht zijn, zolang deze niet ondersteund worden door veranderingen in economie of politiek – een positie die door een architectuurhistoricus als Manfredo Tafuri of een geograaf als David Harvey wordt ingenomen. De grote belofte van Lefebvre’s werk voor architecten is die van een architectuur die niet langer slechts een schaamlap of een progressief gezicht vormt voor een in se onrechtvaardige samenleving – en hierdoor de facto een contrarevolutionair effect heeft – maar integendeel een architectuur, die door het anders organiseren van de alledaagse leefwereld van de mens, de basis legt voor een algemene verandering van de maatschappij. Dit was ongetwijfeld ook de inzet van de conferentie: om door middel van een confrontatie met het oeuvre van Lefebvre te komen tot een herformulering en herwaardering van de actuele en potentiële rol van de architectuur.

Maar precies op dit vlak schoot de conferentie te kort en bleef het publiek – ondanks een bomvol programma met 23 sprekers, 8 keynotes en 5 panels met telkens 3 papers – op zijn honger zitten. De belangrijkste oorzaak hiervoor was de nadruk van de conferentie op de toepasbaarheid van Lefebvre’s kerncategorieën voor het lezen en analyseren van de hedendaagse stad. Dit, vanuit de opvatting dat in andere conferenties en boeken over Lefebvre reeds voldoende aandacht werd besteed aan de meer theoretische kanten van zijn werk. Hierdoor kwam het accent te liggen op anlyses van stedelijke situaties over de hele wereld, waarbij Lefebvre’s werk werd ingezet als een alternatieve interpretatiesleutel. Zoals bij de architecturale mutaties die werden doorgevoerd door bewoners van communistische woonblokken in Hanoi, de aanleg van gemeenschapstuinen in New York, een onderzoek naar de verschillende gebruikers en gebruikspatronen van een centraal plein in Sao Paulo, en van een buurt met veel creatievelingen in Hamburg. Het probleem met de presentaties was dat zij zich aan de ene kant vastklampten aan Lefebvre’s werk: al diens centrale concepten werden netjes vertaald naar de praktijk. Tegelijk werden de begrippen echter te losjes gehanteerd: de analyses getuigden niet van een meer fundamenteel begrip van zijn werk (bijna alle sprekers verontschuldigden zich dat ze geen ‘Lefebvre scholars’ waren).

Door dit manco, alsook de vrij richtingsloze keynotelezingen die nauwelijks theoretische houvast boden, bleven een aantal fundamentele kwesties onbeslist of zelfs onbesproken. Niet alleen de vraag naar de al dan niet essentiële rol van architectuur en planning in het veranderen van de samenleving, maar ook de vraag hoe Lefebvre’s levenslange engagement met het marxisme kan worden geactualiseerd. Zoals één van de organisatoren opmerkte, is het paradoxale van de Lefebvre-revival dat deze plaatsvond in een tijd (vanaf de vroege jaren negentig) waarin elk geloof in radicale verandering – al dan niet van marxistische slag – voorgoed verdampt leek.

Deze fundamentele kwesties spookten door de hele conferentie en leidden soms tot pijnlijke uitbarstingen. Zoals toen iemand vanuit de zaal, na een lezing over een typisch creatieve make-over van de wijk Schanzenviertel in Hamburg, de spreker tot de orde riep door haar erop te wijzen dat het uiteindelijke doel van Lefebvre nog steeds het omverwerpen van de staat was. Hiermee impliceerde hij dat alle creatieve initiatieven van architecten en designers zinloos zijn, zolang ze de staat niet tot vijand nummer één maken. Hij werd niet tegengesproken, noch door de zaal, noch door de spreker zelf, die haar standpunt prompt verhardde door te zeggen dat ze de ontwikkelingen in de Hamburgse wijk ook afkeurde.

foto afkomstig van de Right to the City Alliance-website
foto afkomstig van de Right to the City Alliance-website

Ongetwijfeld was het een beter idee geweest om de mondiale beweging die de laatste jaren rond één van Lefebvre’s kernconcepten is ontstaan, in de conferentie te betrekken. 'Het recht op de stad’ – tevens de titel van één van zijn meest polemische werken – inspireert over heel de wereld de strijd tegen allerlei sociale onrechtvaardigheden. Deze beweging was, ondanks de activistische slogan 'seeking spatial justice' op de conferentieposters die overal aan de wanden van de TU hingen, opmerkelijk afwezig. Een confrontatie met dergelijk radicaal maatschappelijk engagement had duidelijk kunnen maken hoe Lefebvre's theorieën over architectuur en ruimte aan het begin van de eenentwintigste eeuw geactualiseerd kunnen worden. Dit gebrek aan een activistisch perspectief was waarschijnlijk ook de reden voor de opmerkelijke afwezigheid van de gemeenschap van architecten en ontwerpers. De conferentie vond nochtans plaats bij de faculteit bouwkunde. Hoewel een van de organisatoren Lefebvre’s relevantie voor architectuur en design benadrukte, was een expliciete behandeling ervan totaal afwezig. Architecten konden vooral iets opsteken over hoe zij de stad kunnen lezen door een Lefebvriaanse bril, maar nagenoeg niets over hoe zij haar in hun praktijk daadwerkelijk kunnen veranderen – toch de belangrijkste ambitie van een radicale denker als Lefebvre. Het betrekken van groepen en bewegingen die zich op activistisch vlak engageren met Lefebvre was ook wat dit betreft een goede zet geweest.