Feature —

Jan Benthem over Amsterdam

Karen Heijne

Zondag 14 December vond in Felix Meritis een debatmiddag plaats met als titel Het geheim van…. Mensen die zich om uiteenlopende redenen intensief met Amsterdam bezighouden werd gevraagd een persoonlijk visie op de stad te geven. Om zo een voorzet te geven op een toekomstvisie voor Amsterdam.

Jan Benthem, foto: Hanne Nijhuis
Jan Benthem, foto: Hanne Nijhuis

Naast onder anderen Liselotte de Koning (directeur Rode Kruis Amsterdam), Roberto Payer (General Manager Hilton Amsterdam), Rob Wagemans (oprichter Concrete) David Endt (teamleider Ajax), Sarriel Taus (oprichter restaurant Fifteen) en Haig Balian (directeur Artis) deed ook architect Jan Benthem van Benthem Crouwel Architecten zijn verhaal. Zijn bureau is in Amsterdam gevestigd en hij is zelf al dertig jaar bij verschillende grootschalige ingrepen in de stad betrokken. Frank de Grave, voorzitter Raad van Bestuur van de Nederlandse Zorgautoriteit, leidde de discussie die uiteindelijk in vier aanbevelingen voor de stad Amsterdam resulteerde.

Benthem begon zijn verhaal met het statement 'de stad is nooit af', naar aanleiding van de nakende nominatie van de historische binnenstad van Amsterdam op de Werelderfgoedlijst van Unesco. Het idee dat de binnenstad nooit meer zou mogen veranderen stuit Benthem volledig tegen de borst. Juist de mogelijkheid om te experimenteren en aan te passen maakt een stad tot een stad.

Al ruim twintig jaar is Benthem Crouwel betrokken bij de vormgeving van luchthaven Schiphol. In die tijd is het concept luchthaven compleet verandert: van een plek om te vertrekken naar een plek om te verblijven. Op de luchthaven draait het om vermaak, tot op de toiletten aan toe. Benthem ziet Schiphol als een stad. De invloed van de architect is er beperkt, zijn ontwerpen worden door de tijd ingehaald. Daarom heeft Benthem ingezet op een ander niveau: niet de fysieke gebouwen, maar de structuur is belangrijk. Straten, pleinen en ruimtes, zíj zijn van belang voor een stad. Als ze zorgvuldig ontworpen worden, kunnen ze de tijd weerstaan. Mensen moeten in staat zijn er anoniem te verblijven, en er zelf hun weg te vinden. Hij gebruikt het model van Schiphol voor zijn visie op de stad Amsterdam.

Amsterdam doet het goed in Europa. Uit een Frans onderzoek blijkt dat de hoofdstad de concurrentie met de andere steden in Europa makkelijk aan kan. Amsterdam is een bescheiden stad die veel te bieden heeft. Met behulp van een stadsplattegrond laat Benthem zien welke toekomstige ontwikkelingen er in het verschiet liggen. De gaten worden gevuld om van Amsterdam een compacte stad te maken. Door de groene vingerstructuur is deze verdichting goed mogelijk. Benthem ondersteunt deze visie volledig.

'Meer programma maakt de stad aantrekkelijker, maar ook de infrastructuur is van levensbelang', zo stelt hij. Voor iemand die al jaren vakmatig betrokken is bij de Noordzuidlijn is dat geen verrassing. Twaalf jaar gelden werd de beslissing genomen om een nieuwe metrolijn te bouwen – een beslissing waar Benthem vierkant achter staat. Maar met de stringente voorwaarde 'er mag niets aan de bestaande stad veranderd worden' heeft hij duidelijk moeite. Deze eis leidde tot diepgelegen stations (25 tot 30 meter) die rechtstreeks uitkomen op de straat. Zelfs de enige bebouwing die door de architect is voorgesteld, een glazen luifel ter plaatse van de entrees, is door de welstand afgekeurd. Het oordeel luidde dat de vormgeving te veel van het straatbeeld afweek. Ook diende de architect zich niet te bemoeien met de herinrichting van de straten. Een autovrij straatbeeld voor de Pijp werd niet gewaardeerd, de Pijp is de Pijp en dat moet vooral zo blijven.

Bij het Centraal Station is het wel gelukt om de openbare inrichting aan de stadzijde opnieuw in te richten. Maar met name de IJzijde van het station wordt volgens de plannen van Benthem Crouwel Architecten ingrijpend veranderd. Alle vervoersmiddelen worden in het nieuwe Centraal Station aan elkaar geknoopt. De auto wordt onder de nieuwe (vierde) overkapping door geleid, er komt een nieuw busstation en ook het vervoer per boot wordt ontsloten. En het station krijgt aan de IJzijde een boulevard, waardoor het eindelijk stad en water aan elkaar bindt in plaats van een radicale breuk te vormen.

Op deze specifieke locatie ligt volgens Benthem het geheim van een succesvolle ontwikkeling van Amsterdam. Het is een plek die alles met elkaar verbindt en op de as tussen noord en zuid, en oost en west ligt. Een plek waar veel is veranderd en in de toekomst nog veel gaat veranderen, met de ontwikkeling van gebieden als het Oosterdok, Westerdok en het Shellterrein Overhoeks. Maar ook met culturele statements als het nieuwe Filmmuseum, de bibliotheek en het muziekgebouw. En met het nieuwe Centraal Station als icoon.

Benthem spreekt ook een wens uit: dat contrasten en verrassingen mogelijk blijven, zodat nieuwe generaties ook met de stad uit de voeten kunnen. De stad moet en kan blijven veranderen; vernieuwing is essentieel. Tijdens de discussie komt nog een belangrijk uitgangspunt van Benthem naar voren: de stad is voor iedereen. Met name de binnenstad wordt nu elitair en er is nog maar weinig ruimte voor experimenten. Dat moet anders. Privaat gebied moet opgeofferd worden voor publieke functies. Dat is een voorwaarde voor een vitale stad.

De Grave sluit de middag af met vier aanbevelingen die uit de uiteenzetting van Benthem en de daarop volgende discussie naar voren komen: gebruik het water, benut Schiphol als centrale ontsluiting van de stad en zorg voor een goede infrastructuur, zorg ervoor dat de binnenstad voldoende publieke functies heeft en verbind de buitenwijken met de binnenstad. Geen onverwachte of verrassende aanbevelingen. Alle vier zetten ze de reeds ingezette koers van Amsterdam voort. Maar ze scheppen de kaders om de stad verder te laten ontwikkelen.