Opinie —

Small Town Talk

Eric Vreedenburgh

Hoogbouw is een fenomeen waar zelfs lijstjes van worden bijgehouden. Nummer een staat Hong Kong met 2939 bouwwerken boven de 90 meter, op afstand gevolgd door New York met slechts 849 skyscrapers. De grote steden in Europa spelen een bescheiden rol, Parijs en Moskou zijn de enige twee in de top 40.

Hoewel stedelijkheid niet synoniem is aan hoogbouw, is hoogbouw wel synoniem aan stedelijkheid. De lijstjes met bouwhoogten zeggen dan ook betrekkelijk weinig over de kwaliteit en identiteit van die stedelijkheid. Hoe moeilijk de begrippen kwaliteit en identiteit ook te definiëren zijn, het zijn wel de sleutelwoorden in menig discussie over de stad. Zo ook in Den Haag, waar recentelijk de Agenda voor de Haagse Verdichting verscheen.
Wordt hoogbouw in de Skyscraper Cities Ranking List gedefinieerd als minimaal 90 meter hoog, in de Agenda voor de Haagse Verdichting hanteert men een grenswaarde van 50 meter. Deze halvering in hoogte resulteert echter niet in een halvering van commotie; discussies over de aanpak van Kijkduin of van Scheveningen worden vooral gedomineerd door de vraag of er wel of geen hoogbouw op deze locaties gebouwd mag worden. Uit deze discussies blijkt ook dat het ruimteprobleem in Nederland vaak een mentaal probleem is van mensen die anderen niets gunnen. In Kijkduin wordt dit keurig verwoord door de aldaar woonachtige grote groep juridisch geschoolde gepensioneerde ambtenaren. 

De Agenda voor de Haagse Verdichting is een thematische uitwerking van de Structuurvisie 2020. De Agenda is gebaseerd op een verwachte toename van inwoners en dat terwijl er de laatste twee decennia in Den Haag krimp plaats vond. De woningvoorraad groeide met een kleine 40%, de bevolkingsomvang liep met 20% terug en door annexaties van grond in de randgemeenten waar nu de Vinex-wijken zijn gebouwd nam het gebiedsoppervlakte toe met 25%.
Het moment is aangebroken om verdunning tegen te gaan wil men de stedelijke kwaliteit van Den Haag op peil houden of zelfs verbeteren. Uiteindelijk zal de stad voldoende financieel draagvlak moeten genereren om stedelijke voorzieningen als openbaar vervoer, infrastructuur en openbare ruimte te kunnen bekostigen. Verdichten van de stad luidt nu het devies en in deze interpretatie staat verdichten ook voor het selectief ontwikkelen van hoogbouw op speciale locaties.
Zoals te verwachten is, zijn de meningen over deze aanpak verdeeld: “waar de één nieuwe hoogbouw als een perfect middel ziet om de stad identiteit te geven, ziet de ander die identiteit eerder gereflecteerd in het bestaande historische gegroeide stadprofiel”, aldus een schrijven van het Haagse Monumentenplatform en Stroom. Naar aanleiding van het verschijnen van de Agenda organiseerden deze instellingen op 14 januari in Stroom een debat over Haagse verdichting.

Het debat werd betrekkelijk slordig gevoerd, er vond eerder een uitwisseling van emoties dan van argumenten plaats. Al te makkelijk wordt opgemerkt dat hoogbouw per definitie de identiteit van de stad aantast en gemakshalve gingen verschillende sprekers er van uit dat de identiteit van een stad een toestand uit het verleden is die onveranderlijk is of zou moeten zijn. De identiteit die men uit deze geconstrueerde historie destilleert zegt vooral iets over de contemporaine interpretatie van het verleden; wij wonen niet alleen in steden of gebouwen maar ook in “verhalen”. Gezien het belang van het begrip identiteit is het goed om het begrip stedelijke identiteit beter te definiëren. Stedelijke identiteit kan men onderverdelen in drie componenten: fysiek, economisch en sociaal. Het begrip stedelijke identiteit probeert de complexiteit van een stad te vangen en het unieke te accentueren, het is zodoende een geconstrueerd en daarmee subjectief verhaal of beeld. Stedelijke identiteit vertegenwoordigt niet de werkelijkheid van een stad maar slechts een interpretatie van die werkelijkheid. Zo is bijvoorbeeld voor de één Den Haag de stad van het internationaal recht en voor de andere de popstad van Nederland. Als we het over de fysiek kenmerken van de stad hebben, haalt Den Haag veel betekenis uit het gegeven dat de stad ‘achter de duinen’ aan de zee ligt. Dat kunnen maar weinig andere steden van vergelijkbare omvang in Noord Europa zeggen.

Zo kan men nog een aantal kenmerken formuleren die stuk voor stuk niet een Haags fenomeen zijn, maar die als ingrediënten wel bijdragen aan de inkleuring van de identiteit van Den Haag. Dat betekent ook dat als een van deze ingrediënten opeens verandert, de stad niet zijn identiteit kwijt is, hooguit verschuift het een beetje. Als we ons tot de bebouwing van Den Haag beperken dan bestaat volgens velen de Haagse identiteit uit straten met in verhouding te lage bebouwing voor het brede profiel van deze straten. Men refereert dan graag aan de 'schoone eenheid' van de Nieuw Haagse School. Begin 1930 wijdde het Bouwkundig Weekblad een aantal beschouwingen aan de nieuwe wijken in Den Haag. Punt van kritiek was vooral de consequent doorgevoerde bouw van portiekwoningen in drie lagen en het karakterloze silhouet dat dit opleverde. Co Brandes, een van de bekendste Haagse School architecten uit die tijd, gaf in een brief aan de wethouder Vrijenhoek aan dat het zeer gewenst zou zijn om op een aantal plekken in de stad hoogbouw te plegen.

Terug naar de Agenda voor de Haagse Verdichting. Of Den Haag nu uit lage bebouwing of hoge bebouwing bestaat zegt op zich niet zoveel. Waar het om gaat is hoe die bebouwing wordt toegepast en in welke context het staat; wat is de ambitie van de stad en wat voor betekenis kan hoogbouw daarin in spelen? Het complex de Resident laat zien hoe het fout kan gaan. Wat men ook van de kwaliteit van de architectuur van deze hoogbouw vindt, het gaat mis doordat het project als een geïsoleerd eiland in het centrum staat, er is geen goede aansluiting tussen de openbare ruimte van de Resident en het stedelijk weefsel van het centrum. Daarnaast heeft Rob Krier, de ontwerper van de Resident, deze openbare ruimte voorzien van bijna 50% blinde gevels. Het resultaat is dat op een enkele nieuwsgierige stedenbouwkundige na, niemand deze ruimtes wil betreden, met als gevolg dat de openbare functies in de plinten niet levensvatbaar zijn. Zoals gesteld het gaat niet om de bouwhoogte maar om de vraag wat men met de stad wil en daarmee spreekt men zich natuurlijk ook uit over de vraag wat men met inrichting van de Nederlandse steden wil. Naast de Agenda voor Verdichting zou men ook een agenda kunnen schetsen wat er met het Nederlandse landschap gaat gebeuren als steden niet verdichten. Als er niet meer in de steden gebouwd gaat worden zijn we dan bereid tot een Vinexering van het nog weinige open landschap? Dit is voor de ontwikkelaars – en dus ook voor de kopers en huurders – veel goedkoper dan bouwen op de relatief kleine en complexe locaties in de stad. Dat de rekening van de grondexpansie, infrastructuur en de leegloop van de stad vervolgens bij de belastingbetaler wordt gelegd blijft meestal buiten beschouwing. En als we het over het belang van stedelijk identiteit hebben, dan kan men bij deze inwisselbare Vinex-bebouwing grote vraagtekens zetten. Uiteindelijk gaat het om het afwegen van gemeenschappelijke belangen en dat zijn politieke keuzes.

In mijn optiek zou de discussie niet alleen over verdichting of over het stapelen van woningen of kantoren moeten gaan, maar ook over het stapelen van landschap Waarom worden er geen bedrijfsterreinen, sportfaciliteiten, agrarische productie landschappen gestapeld? In Hong Kong waar woningen, kantoren en winkels onderling met gaanderijen en corridors verbonden zijn heeft men decennia ervaring met het gestapelde maaiveld. Hong Kong is wellicht de meest verdichte stad ter wereld, maar het is ook een stad met hoogwaardige parken en natuurgebieden. Dankzij een goed functionerend openbaar vervoerssysteem zijn de meeste van deze locaties binnen 20 minuten te bereiken. Natuurlijk kun je de problematiek van een kleine Nederlandse stad niet 1 op 1 vergelijken met steden als Hong Kong. De les is wel dat dichtheid en intensiteit ook heel veel aantrekkelijke kanten heeft voor de stad en vooral voor het stedelijk leven.

Te vaak hanteert de Nederlandse politiek een nota als alibi om niets te doen en om af te wachten tot een volgende nota. Steevast schrijven de opstellers in de conclusies dat er nog een aantal zaken verder onderzocht moeten worden. Vooralsnog lijkt het dat de discussies over verdichting vooral resulteren in het stapelen van nota’s en studies en niet in het daadwerkelijk stapelen van woningen of het maaiveld. En dat is een gemiste kans. Hopelijk gaat er in Den Haag nu wel wat gebeuren.