Feature —

Tegen de tirannie van de esthetiek

Jelk Kruk

Onder de titel New Deals organiseerde Vloer 12 (Stichting Jonge Architecten Rotterdam) samen met BNA regio Delta een bijeenkomst over de rol van de (jonge) architect. Het ging deze avond, waar drie grote opdrachtgevers spraken, eigenlijk voornamelijk over het thema van de arbeidsdeling.

v.l.n.r. Joachim, Martin, Peter, Friso (foto: Harm Timmermans)
v.l.n.r. Joachim, Martin, Peter, Friso (foto: Harm Timmermans)

Architecten moeten professioneel zijn en technisch het vak beheersen, maar moeten zich vooral toeleggen op iets in het vak dat hen fascineert, zo lijken de sprekers te vertellen. Maar moet de architect zich daadwerkelijk terugtrekken in zijn zelf bedachte niche, of is het juist tijd dat de jonge architect zich losmaakt uit het raderwerk dat het proces beheerst?

Friso de Zeeuw (Bouwfonds) grijpt de avond aan om zijn goed geoefende retoriek de zaal in te strooien. Het verhaal van de directeur Nieuwe Markten staat echter in schril contrast bij de titel van zijn functie. Je zou vermoeden dat een directeur nieuwe markten speurt naar alles wat er nog kan worden toegevoegd aan het toch al zo rijke en bestaande aanbod. Maar bij Bouwfonds komt uit deze innovatief klinkende afdeling al jaren het geluid dat nieuwe markten eigenlijk identiek zijn aan de oude en dat die nu eenmaal exact willen hebben wat Bouwfonds levert. Of je nu oude, de actuele of de nieuwe markten beschouwt, volgens Friso de Zeeuw bestaan deze allemaal uit mensen die eigenlijk alleen maar huizen met tuintjes willen. Mensen worden niet gelukkig van architectonisch spectaculaire projecten, lijkt zijn boodschap.

Mogelijk was het De Zeeuw te doen om de zaal te prikkelen en discussie uit te lokken, maar de tegenargumenten dat huizen met tuintjes niet vernieuwend zijn en teveel ruimte kosten deden enigszins pathetisch aan. Vernieuwing is niet bij voorbaat vooruitgang en voor het realiseren van goede huisvesting zouden we ons eens moeten verplaatsen in de bewoners in plaats van onze esthetische en theoretische motieven voorop te stellen. Hier heeft De Zeeuw zeker een punt. Maar zijn voornemens om daarom alles zo veel mogelijk te rationaliseren en te standaardiseren doen juist daarom nogal eng aan. Je zou bijna denken dat alleen praktische en economische motieven voor bewonersvoorkeuren mogen komen.

Heel anders is het in de wereld van de andere sprekers. Volgens Martin Aarts (hoofd Ruimtelijke Ordening dS+V Rotterdam) zijn op allerlei schaalniveaus veranderingen gaande die invloed hebben op hoe wij willen leven. Zijn verhaal is genuanceerd. De wereld is complex en er moet hard gewerkt worden om bewoners tevreden te houden en te binden aan de stad, en daar zijn ze hard mee bezig in Rotterdam als we hem mogen geloven.

Peter Hoogvliet (Vestia Den Haag Scheveningen) toont met een aantal voorbeelden hoe moeilijk het is om de markt in te schatten. Het betrekken van bewoners bij de ontwikkeling van een project resulteerde in een plan, dat hij als ontwikkelaar zelf nooit zou durven bouwen. Mogelijk is het risicomijdend gedrag van bouwende partijen helemaal niet zo risicomijdend als het beoogt. Ook het project waar de bewoner zijn basiswoning middels een inzichtelijk systeem met keuzeopties en bijbehorende prijs met bijvoorbeeld een extra verdieping kan aanpassen was een groot succes, ondanks de slechte wijk waarin het werd gerealiseerd. En iedere woning werd anders. Blijkbaar is de markt toch niet zo eenkennig en eenvoudig te doorgronden als De Zeeuw het heeft doen voorkomen. Hoogvliet verbaast zichzelf er soms over waarom succesvolle ideeën en projecten eigenlijk zo weinig navolging krijgen. Hij zegt het niet, maar hij moet het wel denken: de bouwwereld is oer-conservatief.

De vraag is natuurlijk in hoeverre het de taak van de architect is om volgzaam te zijn aan deze grote opdrachtgevers. Mogelijk is het zijn taak om de ideeën van deze opdrachtgevers om te buigen of zelfs de macht van de opdrachtgevers te omzeilen door zelf de bewoner te mobiliseren of te organiseren.

De rol en kennis van de architect zou zich uit kunnen breiden naar het herorganiseren van het ontwikkelingsproces, naar écht marktonderzoek, naar socio-demografische wetenschappen en gemeenschapsvorming.

De opdracht ligt er in om een brug te slaan tussen een gecompliceerde wereld vol nuances en de soms simplistische realiteit van de bouwwereld. De maatschappelijke agenda is daarin belangrijker dan de esthetische. En zo ligt de morele verantwoordelijkheid van onze ruimtelijke ordening uiteindelijk toch bij haar ontwerper. Als ontwerper zijn wij in staat een beeld te creëren van een mooiere toekomst en daar ligt precies onze taak.