Recensie —

Geert Bekaert verzamelt

Arjen Oosterman

Vorig jaar werd de Belgische architectuurhistoricus Geert Bekaert tachtig jaar. Ter gelegenheid van diens verjaardag verscheen Verzamelde opstellen 4: De kromme weg, 1981-1985. Het monument dat voor Bekaert wordt opgericht zal, minimaal, acht delen beslaan.

In de Nederlandse architectuurwereld heeft de Belgische architectuurhistoricus Geert Bekaert heel wat voetstappen liggen: een hoogleraarschap in de jaren ’80 aan de TU Eindhoven, lang daarvoor al redactielidmaatschappen vanTABK en Wonen-TABK en later als hoofdredacteur van Archis (1990-1995), om enkele te noemen. De architecten die hem gedurende hun opleiding meemaakten tonen zich vaak diepgaand geraakt door zijn inbreng. De Nederlandse architectuurhistorische wereld daarentegen is nauwelijks beroerd door zijn aanwezigheid. Het lijkt veelzeggend voor de (nog altijd bestaande) segregatie van architectuur en geschiedenis hier te lande en indicatief voor Bekaerts verbondenheid met de actuele architectuur. In zijn eigen land ligt die relatie complexer: daar kan zijn invloed op het academisch intellectueel klimaat nauwelijks worden overschat. Hetzelfde kan worden gesteld over zijn invloed op de Belgische architectuursituatie, voor zover er iets te beïnvloeden viel. Zijn naam en persoon zijn aan beide zijden van de grens synoniem met eruditie en inwijding in de peilloze diepten van de architectuurgeschiedenis. Maar zijn naam is eveneens verbonden met felle polemieken en interventies, waarin hij heeft getracht  valse profeten te ontmaskeren, dwaalwegen als zodanig te benoemen en favorieten te ondersteunen. Mooi dus dat de bundeling van zijn essays in 2007 werd voortgezet met deel 3 (Hierlangs, 1971-1980), nadat de delen 1 (Stapstenen, 1950-65) en 2 (Los in de ruimte, 1966-1970) in respectievelijk 1985 en 1986 waren uitgekomen. Aanleiding voor deze bespreking is de vorig jaar verschenen bundel 4: De kromme weg, 1981-1985, een kloeke (560 tekstpagina’s plus inleiding, verantwoording en register) en verzorgde pil met leeslint; in alle opzichten een ‘goed boek’.

Op de redactie van Archis had veellezer Bekaert (a book a day keeps the doctor away – of treffender: een dag niet gelezen, een dag niet geleefd) de reputatie zelden meer dan 600 woorden voor een recensie nodig te hebben. Dit tot verdriet van de boekenredacteur die hem vaak trachtte te verleiden tot wat meer. Zuchtend leverde Geert dan 750 woorden in – hiermee was het toch echt gezegd. Die lengte stond geheel los van het oordeel, dat positief of ronduit vernietigend kon zijn. Dat laatste kwam niet vaak voor, omdat hij vanwege een andere eigenschap, zuinigheid met eigen intellectuele energie, het vaak niet de moeite vond een auteur aan de schandpaal te nagelen. Je moet je tegenstanders bewust kiezen. Anders gezegd: ik heb Bekaert nooit kunnen betrappen op een intellectuele investering zonder scherpe calculatie van de te verwachten opbrengst. Maar als Bekaert overschakelt van bespreken naar spreken (in De kromme weg zijn geen boekrecensies opgenomen) ontpopt beknopte hij zich tot uitvoerig, om niet te zeggen uitputtend onderzoeker in tekst naar de ware aard van werk en maker. In de behandeling van zijn all time favorite Hotel Torrentius, een door Charles Vandenhove tot eigen woonhuis verbouwd monumentaal pand in Luik, wordt ieder detail, iedere ruimtelijke wending, iedere lichtval, iedere steen, zo lijkt het, in de hand genomen, gewogen en op waarde geschat. En dan nog wenst de auteur expliciet te stellen dat van volledigheid geen sprake kan zijn; hij moet het zo doen zal hij zelf meteen verklaren, omdat de tekst het vereist. In 1982 valt het uitzonderlijke en fundamentele van Vandenhove binnen de context van een bestuurlijke minachting voor traditie, een professionele afkeer van het postmodernisme en het dogmatisch vasthouden aan modernisme alleen te doorbreken door minutieus te laten zien dat de keuzen van een architect en diens architectuur ook op grond van andere realiteiten tot stand kunnen komen. Bekaerts ode aan het kunstwerk Hotel Torrentius wordt een schotschrift tegen de desinteresse, ongeïnformeerdheid, vernielzucht en gemakzucht van een culturele en bestuurlijke elite. Hier is een kunsthistoricus aan het woord, zeker, maar dan toch als criticus van de eigen tijd.

Of we nu in veertig pagina’s Philibert de L’Orme’s betekenis voor en Werdegang door de architectuur voorgetoverd krijgen, of een hartstochtelijke verdediging van de in Hollandse ogen kitscherige Antwerpse straat Cogels-Osylei, dan wel in lezingvorm getrakteerd worden op een hardhandige oorwassing van Piet Blom met zijn Blaakse Bos in Rotterdam, Geert Bekaert lezen is een gelaagde ervaring. Laat ik het persoonlijker stellen: Ik word geconfronteerd met een denktrant en realiteit die steeds zeldzamer lijkt te worden. Er lopen meer omgevallen boekenkasten rond, echter zelden wordt die kennis ingezet om ‘het werk’ rijker te laten schitteren en van meer nuance en kleur te voorzien. Veelal dient het masker van de kennis om de eigen superioriteit te demonstreren, een zekere onaantastbaarheid te creëren of een onvermogen zelf iets te vinden te verhullen. Nog zeldzamer is dat de historicus en schrijver/criticus tegelijk de noodzaak en onmogelijkheid van schrijven over architectuur ervaarbaar maakt. Om architectuur deel van de cultuur te laten zijn, moet er over gesproken en geschreven worden, maar wat architectuur is en vermag laat zich zeer beperkt in woorden vangen. Daarnaast is Bekaerts hartstochtelijke omarming van het ‘nu’ voor een historicus niet erg gebruikelijk. Het is een cliché dat geschiedenis over het heden gaat, in de praktijk is dat echter zelden het geval. Bekaerts teksten (essays, lezingen, kritieken) zijn zorgvuldige, weloverwogen interventies, die niet alleen de actualiteit in een perspectief plaatsen – ook als ze er niet over gaan – maar tevens gedreven worden door een tomeloze nieuwsgierigheid naar mogelijkheden in het nu. Een collega architectuurhistoricus heeft Bekaert wel eens een obsessie met het nieuwe verweten, mij lijkt het eerder te gaan om een intens verlangen naar het leven. Een intens verlangen naar waarachtigheid ook, en dat verklaart veel geschriften. Een geloof, laat ik het beladen woord gebruiken, in het reëel bestaande werk. Bekaert is niet geïnteresseerd (au fond) in stromingen en stijlen, maar in de echtheid, de zeggingskracht, de realiteit van ‘het werk’. Het is dan mogelijk Bekaerts poëtica te traceren in zijn teksten, zijn persoonlijke ‘regels van de kunst’. Zo is de veelvuldig voorkomende negatieve karakteristiek – het is geen…., het moet niet begrepen worden als…, het doet geen poging om – noodzakelijk om ‘het werk’ te bevrijden uit de verstikkende netten van geschiedenis en conventie. Een werk kan zijn waarde niet ontlenen (nu doe ik het ook al) aan historische referenties of beroep op continuïteit. Dit soort zaken kan hooguit bijdragen aan de werkzaamheid in het nu. Woorden als ‘reëel’, ‘realiteit’, ‘echtheid’, ‘concreet’ en ‘evidentie’ moeten dit uitdrukken. Misschien is ‘affirmeren’ wel het meest karakteristieke woord in Bekaerts vocabulaire. Meestal in combinatie met het woordje ‘niet’ moet het verduidelijken dat het werk er omwille van zichzelf is en geen ander doel dient dan dat. Het moest gemaakt, het is er.

Hiermee zijn we ver verwijderd geraakt van de architectuurgeschiedenis en de klassieke kritiek. Geen wonder dat de Nederlandse Architectuurgeschiedenis weinig raadt weet met Bekaert. Het bijdragen aan het kennislichaam blijkt geen doel op zich van de humaniora, het is een voorwaarde om het intellectuele spel mogelijk te maken, zoals ook architectuur ten diepste als spel te begrijpen is – zelden als zodanig gewaardeerd door de Nederlandse architectuurkritiek en –geschiedenis. Als Bekaert in een gesprek opeens uitvalt: ‘Wat kan mij die architectuur schelen!’, dan klinkt dat onthutsend uit de mond van iemand die daar al ruim 50 jaar mee bezig is, maar voor wie architectuur wil begrijpen als condition humaine, als bron van genot ook, die zal in die uitspraak herkennen dat Bekaert veeleer bij een Midden-Europese intellectuele denktraditie thuishoort, dan bij het Angelsaksisch empirisme. Voor wie niet vanuit eruditie kan opereren, slechts op specialistische kennis kan leunen, is dat een ongemakkelijke confrontatie.

Dan hebben architecten het makkelijker. Die krijgen, ook zonder alle achtergronden te doorgronden, te horen dat hun werk zelf centraal staat. Die krijgen geschiedenis voorgeschoteld die weliswaar geleerd is, maar tegelijk bedrieglijk veel lijkt op hun eigen werk en ervaring. Lees Bekaerts monografische inleidingen bij heruitgaven van Philibert de l’Orme of Violet-le-Duc en je zit met die mannen aan tafel. Ze zitten er als architecten die worstelden, keuzen maakten, beslissingen namen, met tekortkomingen, hebbelijkheden, en twijfels, niet als representant van Franse renaissance of negentiende-eeuws rationalisme. De teksten informeren over hun bijdragen en erfenis, maakt die ‘reëel’, menselijk. Al te menselijk zou ik haast zeggen. Hier, op dit punt van de identificatie met ‘het werk’, dit punt waar de architect en de architectuurhistoricus elkaar lijken te vinden, ligt dan ook het problematische voor dit tijdsgewricht. Begin jaren tachtig kon Bekaert nog zijn hoop stellen in het postmodernisme, een ontwikkeling in de architectuur, eigenlijk in de cultuur in brede zin, die een grandioos verbond van geschiedenis, filosofie en meesterlijke inventie in het vooruitzicht stelde. Laat ik er niet meer over zeggen dan dat het wat anders is gelopen. De bevrijding uit het dogmatisch formulemodernisme leidde al snel naar platte variatie. Dat was ook Bekaerts grief jegens Bloms Blaakse Bos en Spaanse Dorp. Louter lippendienst en gefingeerde speelsheid, wars van enig verband met de Rotterdamse situatie en conditie. Dat het hier slechts voortekenen betrof van een lawine aan ‘plaatselijke identiteiten’, heeft niemand kunnen bevroeden, maar je moet Bekaert nageven dat hij vroegtijdig risico’s heeft onderkend.

Inmiddels lijken de mogelijkheden voor een architectuur die zich baseert op Cultuur, ongunstiger dan ooit. Zeker, het individuele werk zal altijd weer ontsnappen aan welk dogma of welke restrictie dan ook. Maar doet het er nog toe? Het kunstfundament van de architectuur, het fundament ook van Bekaerts geloof in architectuur, is dermate uitgehold geraakt, dat architectuur nu letterlijk in de lucht is komen te hangen. Dat lijkt een wonder, maar mag in deze tijden vol luchtbellen nauwelijks verbazen. We weten inmiddels wel wat er met bellen gebeurt. Dat is echter een discussie die ver voorbij het eindjaar van deze bundel, 1985, voert. Precies in het midden van de bundel staat een essay over ‘Imitatie als levensbeschouwing. Over het omgaan met oude teksten’. Haarfijn legt Bekaert ons uit hoe we op intelligente wijze het geschreven erfgoed, hier de ‘imitatie-tekst’ van Quatremère de Quincy, kunnen lezen en begrijpen – en hoe Maurice Culot, Léon Krier en Demetri Porphyrios daar niet best in slagen. Niet minder fijnzinnig ontvouwt hij een palet aan kleuren en tinten rond het begrip ‘imitatie’ dat niet alleen oudchristelijke wortels heeft, maar ook een kernbegrip in de kunsttheorie is. Dat is geen overbodige luxe in een taalgebied dat imitatie primair associeert met goedkoop, onecht en mannetjesmakerij. In de handen van Bekaert fungeert zo’n begrip opeens als draad die een lange reeks zeer verschillende producties in kunst en architectuur aaneenrijgt. Ter verduidelijking hoe Quatremère de imitatietheorie ook van toepassing verklaart op de architectuur en die zo verenigt met de beeldende kunsten – een letterlijk klassiek probleem, omdat architectuur als enige niet ‘naar de natuur’ of ‘naar het leven’ werkt – schrijft Bekaert: ‘de wijze van imiteren is immers niets anders dan het vermogen een “wereld van beelden te scheppen” die met de wereld van de zichtbare realiteit rivaliseert. In zijn fictie is het beeld autonoom. Het heeft zijn eigen waarheid. Uit het niets van de fictie brengt de imitatie het wonder van het bestaan voort.’ Prachtig! Het staat er haast als een persoonlijke motto: Inventie is imitatie. Zo kan romantiek en De Stijl en zelfs het Functionalisme op een lijn gebracht worden. Of nee, misschien niet het functionalisme. Want voorbij Walter Benjamins reproductietheorie uit de jaren dertig wordt het lastiger, en trekken we de lijn door naar het heden, dan raakt die verknoopt in kopie, mode en design, en commerciële beeldproductie. Toch weet ik vrijwel zeker dat Bekaert in zijn volgende lezing ook daar een uitweg uit weet te vinden. De door Bekaert bewonderde Rem Koolhaas is wel de ‘Houdini van de architectuur’ genoemd; Bekaert kan met vrijwel evenveel recht de Houdini van de architectuurkritiek worden genoemd. En wat Nederland betreft: een betrokken buitenstaander.