Feature —

Solids

Eric Vreedenburgh

Recentelijk gaf Frank Bijdendijk, bestuurder van de Amsterdamse woningcorporatie Stadgenoot, op uitnodiging van het Haags Architectuur Café zijn visie op de aanpak van Solids bij Stroom in Den Haag. Solids vragen volgens hem niet alleen om technisch en organisatorisch goede oplossingen, maar moeten er ook goed uitzien.

artist impression van een solid voor IJburg in Amsterdam

‘Wij zorgen voor mooie duurzame gebouwen met alle mogelijkheden. U bepaalt de grootte van de ruimte, wat u erin doet en hoe u ‘m indeelt. Lunchroom, kantoor, samen met uw ouders wonen of atelier aan huis? Al die mensen en dromen samen in één gebouw maken een inspirerende plek voor wonen en werken. Oud, jong, groot of klein budget, the floor is yours.’ Aldus de inleiding van een handleiding over Solids, uitgegeven door Stadsgenoot, een woningcorporatie die is ontstaan uit een fusie tussen de Algemene Woningbouw Vereniging en Het Oosten.

Decennia lang wordt er in Nederland al geprobeerd om, binnen het rigide stelsel van regelgeving, flexibele concepten voor woningbouw te genereren, zodat mensen hun leefruimte meer naar eigen hand te kunnen zetten. In de jaren ‘60 introduceerde Habraken daartoe een opsplitsing in beslissingniveaus en noemde dat drager en inbouw. Drager stond voor het gemeenschappelijke en inbouw voor het individuele. In de bouwwereld werd dit al snel vereenvoudigd tot casco en inbouw. In de jaren ‘80 heeft het Open Bouwen allerlei initiatieven ondernomen om pilots te realiseren en om een aanzet te geven tot de ontwikkeling van een leidingsystematiek geheel gebaseerd op droge montage en de ontkoppeling van bouwdelen. Tien jaar terug is dit gedachtengoed opgenomen in het IFD programma. IFD staat voor industrieel, flexibel en demontabel bouwen.

Enkele jaren geleden heeft Stadgenoot (c.q. Het Oosten) de ontwikkeling van Solids serieus ter hand genomen. Dit ging niet zonder slag of stoot en zou niet zo ver gekomen zijn zonder het enthousiasme en doorzettingsvermogen van Frank Bijdendijk. Hoewel zijn aanpak technisch (ontkoppeling van bouwdelen, ieder met hun eigen levensloop) en organisatorisch (opsplitsing casco en inbouw zowel wat betreft gebruik, eigendom en vergunning) schatplichtig is aan het Open Bouwen, maakt hij ook een duidelijk verschil. Duurzaamheid heeft voor hem ook een connotatie van dierbaarheid gekregen; de Solids moeten ook in architectonische uitstraling en materialisering aantrekkelijk zijn. Dat was iets wat men in het verleden gemakshalve oversloeg.

Ondanks deze zorg voor uitstraling en kwaliteit moet opgemerkt worden dat de eerste ontwerpen voor Solids in architectonische expressie mager zijn. Het blijft conceptueel onvolwassen dat men zowel de ruimte als de architectuur van flexibele  projecten ‘neutraal’ en zogenaamd tijdloos wil vormgeven. Nu hoeft één sober vormgegeven Solid in een levendige wijk geen probleem te zijn, indien men er echter een hele straat of wijk mee wil volbouwen zal men toch een gedachtesprong moeten maken om tot een kwalitatieve omgeving te komen. Men kan architectuur niet reduceren tot alleen maar een technische neutrale oplossing.

‘(…) the machine carries no meaning. Yet it is this very ‘neutrality’ that makes it most dangerous for us; if we accept the machine as neutral, as something we can use ‘without thinking’, than we risk being delivered over into a type of being completely determined by technological evaluations – meaning replaced by mere means: utility’, Robert McCarter.

Binnen een aantal maanden zal de eerste Solid in Amsterdam opgeleverd worden. Als deze ontwikkeling doorzet zullen de Solids om een nieuwe generatie ‘flexibele’ bouwproducten vragen. Tot grote verbazing van Bijdendijk toont de toeleverende industrie op dit moment geen interesse. Dit is jammer, zeker als je bedenkt dat iemand als Van Randen (Open Bouwen TU-Delft) twintig jaar terug een aantal partijen mobiliseerde om tot de productie van het Matura inbouwsysteem te komen. Dit was een uiterst geschikt flexibel inbouwpakket. Tot zijn grote frustratie waren er nauwelijks opdrachtgevers (ontwikkelaars, woningbouwverenigingen) geïnteresseerd. Zou dit betekenen dat in het kleine Nederland, ondanks de ondersteuning van de overheid voor onderzoek en ontwikkeling, er sprake is van een volledige miscommunicatie of mismatch in de bouwwereld.

Vooralsnog kijk ik uit naar het resultaat van de eerste Solids. Tegelijkertijd realiseer ik me dat in Manhattan al meer dan honderd jaar een aantal hybride pakhuizen en scyscrapers staan. De Downtown Athletic Club uit 1931 van Starrett-Van Vleck is een bekend voorbeeld (door Rem Koolhaas in Delirious New York uitvoerig beschreven). Deze toren van 38 verdiepingen bevat onder anderen een sportclub, een hotel, zwembad, tuinen (ergens halverwege), kantoorruimte, golfruimten, bowlingbanen, biljart- en squashzalen, restaurants en bars. Deze grote differentiatie is geheel binnen één draagstructuur gebouwd. Per vloer en onafhankelijk van elkaar (ontkoppeling) zijn de verschillende programmaonderdelen boven elkaar geplaatst. Dit zou het voorland voor de Solids kunnen zijn, waarbij het voorstelbaar is dat er binnen de continuïteit van de draagstructuur willekeurig programma’s worden gehuisvest en dat deze in de loop der tijd kunnen muteren of geheel veranderen (flexibiliteit).

Zijn de Solids dan een voorbeeld van oude wijn in nieuwe zakken? Nee, ik zou het tegendeel willen beweren: laat de oude zakken die dit soort zaken tegenhouden wijn gaan drinken, zodat er in de tussentijd heel veel Solids gebouwd kunnen worden.