Feature —

Stadsentree: afgebakend of geleidelijk

Erik Stekelenburg

Architectuurcentrum Amersfoort mist bij de gemeente een integrale visie op de toegang van de stad en organiseerde daarom op 3 februari een Architectuurcafé over stadsentrees. Maar door een gebrek aan verkeerskunde was ook het café niet integraal.

Voorafgaand aan een discussie onder leiding van publicist Jaap Huisman hielden Northon Flores Troche (URHAHN), Rob Smetsers (Deventer) en Ruurd Gietema (KCAP) een presentatie. Organisator Johanna van der Werff opende met het belang van stadsentrees: “Het zouden visitekaartjes van de stad moeten zijn, uitnodigingen en aankondigingen en op zijn minst helder en logisch. Maar veel steden lukt het niet om er een logische plek van te maken.” Jaap Huisman haalde een in architectuurkringen beroemde fietstocht aan. Ter voorbereiding op haar rijksbouwmeesterschap fietste Liesbeth van der Pol het land door en werd onaangenaam getroffen door de diffuse gebieden die ze door moest trappen als ze een dorp of stad inreed. “De stad heeft het visitekaartje, het silhouet opgegeven”, aldus Huisman.

Northon Flores Troche, architect en stedenbouwkundige van bureau URHAHN Urban Design, nam zijn toehoorders mee langs verschillende soorten entrees en gaf Europese en (Zuid-)Amerikaanse voorbeelden. Volgens hem moeten stadsentrees de voordelen of pluspunten van de stad zichtbaar maken. Ze moeten verleiden, verrassen, schitteren, schoonheid hebben en mysterie: toewerken naar een climax en dramatiek verzorgen. URHAHN Urban Design maakte in 2002, in opdracht van de gemeente Amersfoort een integrale visie op stadsentrees, analyseerde ze en adviseerde over de ontwikkelingsrichting. Die visie heeft geen vervolg gekregen.

Rob Smetsers, stedenbouwkundige bij de gemeente Deventer, sprak over het Sluiskwartier, de aanlanding van de brug over de IJssel. “Voordat je door hebt dat je de brug over bent, ben je Deventer al weer uit.” De ambitie is om dat te voorkomen, de brug en aanlanding zo aan te passen dat het een verblijfsgebied en aankomstpunt wordt voor de stad. Dat vraagt volgens hem om een stadsbrug, met (rol)trappen in plaats van het talud. Zo'n brug zorgt voor vertraging, waardoor een extra brug nodig is voor het autoverkeer, en dus een ringweg. Dat is voorlopig een brug te ver zodat het plan nu nog van een snelverkeerbrug uitgaat. Poortgebouwen, woningbouw en kade worden al wel gemaakt.

Vanuit de visie van zijn bureau KCAP op de stad-in-het-algemeen, zoomde Ruurd Gietema vervolgens in op zijn plan voor de Hogeweg; hét stedenbouwkundige vraagstuk van de stad Amersfoort op dit moment. “Bij KCAP hangen twee verbodsborden. Het eerste luidt: ‘Geen straten alleen voor auto’s’. Plekken mogen niet voor één type mens zijn of de mens niet reduceren tot één type.” Hij liet de Rotterdamse koopgoot zien: “Hier lopen alleen consumenten”. ‘Geen doodlopende straten’, luidt het tweede verbodsbord; stedenbouw gaat om stedelijke raamwerken voor ontmoetingen. Hij zette zich af tegen de 'modernistische boomstructuren' die van hier tot aan Dubai (waar ze heel letterlijk in zee zijn gezet) opduiken. Gebouwen die aan de 'takken' staan worden slechts via de stam verbonden met de wereld, met als gevolg een zeer beperkte interactie. “Misschien zeggen we later tegen elkaar: weet je nog die periode van 1820 tot en met 2050, toen de steden open waren?”

Amersfoort was ooit een gesloten stad met een duidelijke entree. De Hogeweg, de oostelijke toegangsweg die aansluit op de A28 en de A1, loopt nu echter door latere uitbreidingen. De entree is dus niet zo afgebakend als in Deventer. Gietema karakteriseerde de plannen van KCAP voor de Hogeweg-entree dan ook als ‘meer terloops’: “Als je het echt dramatisch maakt valt de rest tegen en denk je, ik moet maar weer terug want ik heb het waarschijnlijk gemist.” Toch zet KCAP het gebied wel ‘aan’ zoals ook blijkt uit de naam van het gekozen plan: ‘De Groene Poort’. “Amersfoort is een beetje een landschapsstad.” Het dramatisch moment wordt verzorgd door een zwembad in het waterwingebied, aangeschoven tegen de buurtas waar de Hogeweg onderdoor duikt. Daarna ‘ontspant’ het plan zich naar de kern van het plangebied waar 900 woningen zijn geprojecteerd aan beide zijden van de Hogeweg. De Hogeweg wordt verbreed van 65 naar 75m, tot een brede gedifferentieerde groene allee met zeven rijen bomen. Het woongebied wordt ook weer aan het begin en eind gemarkeerd met landmarks en tegen het Valleikanaal sluit het gebied af met een hoogbouwgordijn.

Wat een heerlijk jargon kent die stedenbouw toch. Gietema is zich echter – blijkens zijn antwoord op de roep van een omwonende om jaren-dertig-architectuur – niet zo bewust van het hoge abstractieniveau, want hij antwoordde met zinsneden als “een milieu dat een beetje kritische massa gaat krijgen en zich voegt in de structuur”. De bewoner was overigens niet de enige die op de architectonische invulling hamerde. Zo wees stadsarchitect Noud de Vreeze erop hoe de gemeente over het zwembad spreekt: “Er is niet meer geld dan voor een bak water met een dak erop. Terwijl het zo belangrijk is dat hier iets goeds komt. Mijn stelling is, als het in Purmerend kan, dan moet het in Amersfoort ook kunnen.”

Interessant was de verdeling van de thema’s. Het gangbare publiek van het Amersfoortse architectuurcafé sprak vooral over stedenbouw en architectuur. In de infrastructurele polemiek werd voorzien door de omwonenden, zij zaten in hun maag met doorstroming, fijnstof en geluidsoverlast. Ze hadden gezien dat de Hogeweg als drukke oostelijke verbinding tussen de steeds meer verstikt rakende snelwegen en Amersfoort slechts bestaat uit één baan in en één baan uit. Wat is een groene long met zo’n verstoppinggevoelige ader en hoe comfortabel kun je daar wonen? Daar was geen bevredigend antwoord op, Gietema benadrukte vooral de ruimtelijke kwaliteit buiten de spits. Het was voor Jaap Huisman aanleiding om het Architectuurcafé te suggereren eens stil te staan bij mobiliteit en de stadsarchitect te wijzen op de noodzaak van een integraal plan voor de verschillende toegangswegen van de stad.