Recensie —

Stilte en stedelijkheid

Jeroen Mensink

De stad speelt een belangrijke rol in het werk van de Franse architect Christian de Portzamparc. Veel van zijn gebouwen zijn bedoeld als iconen, herkenningspunten in de stad, de gebouwen zelf zijn als kleine steden. De Portzamparc doet ook stedenbouwkundig werk, met een bijzondere voorkeur voor wat hij een ´open blok´ noemt. In Almere komt het allemaal bij elkaar, in een kleine tentoonstelling over het oeuvre van deze architect.

foto Evert Pronk
foto Evert Pronk

In de bescheiden tentoonstellingsruimte van het plaatselijke architectuurcentrum Casla  is een greep uit het werk van Christian de Portzamparc (1944) te zien. De getoonde projecten worden vooral door, vaak hele grote, maquettes geïllustreerd. In deze tentoonstelling wordt vooral de breedte van de soort opdrachten benadrukt en de spreiding over de wereld. De Portzamparc is in Nederland vooral bekend om zijn laarsvormige gebouw in het plan van OMA voor Lille uit begin jaren negentig. Die samenwerking is vruchtbaar gebleken, want De Portzamparc werd in 2000 gevraagd om een gebouw te maken binnen een stedenbouwkundig plan van OMA, dit keer op een prominente plek in het centrum van Almere. In Nederland had hij tot dan toe alleen de gevel voor bioscoop Pathé de Munt in Amsterdam gerealiseerd, een project dat overigens niet in deze tentoonstelling is opgenomen.
De Portzamparc toont zich een ware kameleon. Het project in Brazilië doet denken aan Oscar Niemeyer en Lina Bo Bardi. En een project in Las Vegas is over-the-top kitsch met gevels van spiegelglas. New York krijgt van hem passende torens voor het grid van Manhattan. En het plan in Almere past naadloos in het stedenbouwkundig ontwerp en het vocabulaire van OMA. Zijn werk lijkt zich moeiteloos aan te passen aan locale omstandigheden, overigens zonder aan kracht te verliezen. Het zijn stuk voor stuk iconen waarin zijn signatuur telkens herkenbaar is.

Bij de tentoonstelling verscheen ook een boek met een inleiding van Hans van Dijk. Daarin komt De Portzamparc naar voren als een vriendelijke, bescheiden man. Zeker voor iemand uit de categorie ´sterarchitect´ die over de hele wereld bouwt en in 1994 de Pritzker Prize in ontvangst mocht nemen voor zijn oeuvre.
Tijdens, maar ook na zijn studie in de roerige jaren zestig heeft De Portzamparc lange tijd geweigerd om te ontwerpen. Lezen en discussiëren stelde hij boven tekenen en schilderen en hij bezocht lezingen van alle grote Franse filosofen. Na zijn afstuderen (of eigenlijk het meekrijgen van zijn diploma) was hij ruim tien jaar lang vooral als onderzoeker actief.  Dat gaf hem de tijd om na te denken over de positie van de architect en de architectuur in het huidige tijdsgewricht. Dit alles heeft geleid tot een duidelijke visie op de stad, die De Portzamparc zowel in zijn stedenbouwkundig als architectonisch werk tot uitdrukking brengt.

Al in de jaren tachtig deelde hij de stedenbouw in drie categorieën in. Tijdperk één vertegenwoordigt de langzaam ontstane steden, zoals de historische steden die voortkomen uit de Middeleeuwen. Tijdperk twee is die van de tabula rasa en de utopie, kortom de stedenbouw van de Modernen. En tijdperk drie is de hedendaagse conditie. In deze nieuwe stad is inmiddels teveel veranderd – sociale structuren, bouwtechniek, ontwikkeling van vastgoed – om domweg terug te keren naar tijdperk één. De huidige opgave bestaat volgens Portzamparc uit het bouwen in een tijdperk één omgeving die door tijdperk twee is aangetast – denk aan Parijs, Amsterdam. Of in het creëren van een intieme stedelijke ruimte in nieuwe stadsuitbreidingen, waar nog nooit een tijdperk één geweest is (Almere en Marne-la-Vallée).

Foto Evert Pronk
Foto Evert Pronk

Een van de instrumenten die hij daarvoor heeft ontwikkeld is het ‘open bouwblok’. Door het gesloten bouwblok open te breken wordt de ervaring van de stad opener, transparanter. Het biedt de mogelijkheid tot meer variatie, maar moet volgens De Portzamparc ook dienend zijn aan het patroon van straten en openbare ruimte. Duidelijke straatwanden smeden de verschillende gebouwen binnen het stedenbouwkundige plan toch tot een geheel. En ook als De Portzamparc niet verantwoordelijk is voor de stedenbouw, dan past hij die principes net zo gemakkelijk toe op de schaal van zijn gebouwen, zoals in Almere.

Ook De Citadel is een stad binnen een stad. Het geheel bevindt zich boven de parkeergarage die onder het gehele centrumplan ligt. Op het niveau van het opgetilde maaiveld bevindt zich een winkellaag, met daarbovenop aan drie zijden rijenwoningen rondom een groen, golvend dak. Aangevuld met een torentje van 6 lagen met op iedere laag een appartement. De kruisende winkelstraten verdelen het blok in kwadranten, die met loopbruggen verbonden zijn. Een van die kwadranten is tot het dak gevuld met het warenhuis V&D en heeft op de bovenste verdieping een restaurant. Een groot, uitstekend balkon hangt boven het winkelend publiek diep in het ravijn tot in de parkeergarage.

In het voorwoord van de publicatie spreekt Marc Visser de hoop uit dat het boek en de tentoonstelling uitnodigt om in het vliegtuig of de trein te stappen om de werken van Christian de Portzamparc in werkelijkheid te gaan ervaren. Voor één van die projecten hoeft men in ieder geval niet ver: De Citadel staat op steenworp afstand van deze tentoonstelling.