Feature —

Voorbij de verontwaardiging

Marieke Hillen

Een expositieruimte in de Indische Buurt in Amsterdam vormde tussen 2004 en 2007 de thuisbasis voor 66 East, een centrum voor urbane cultuur. Onlangs verscheen Huizen in transformatie. Interventies in Europese gentrification, een bundel essays samengesteld door de oprichters van 66 East.

De afgelopen jaren heeft 66 East de transformatie van de wijk tot onderwerp van hun programmering gemaakt met als hoogtepunt het project Transformatorhuizen. Een meerjarig project waarin 66 East probeerde bewoners te betrekken in het veranderinsgproces van hun wijk. En nu is er dan Huizen in transformatie. Interventies in Europese gentrification. Van Transformatorhuizen naar Huizen in transformatie, door de veranderde woordvolgorde was mijn eerste gedachte dat de publicatie een weerslag zou zijn van de activiteiten die 66 East de afgelopen jaren heeft ontplooid en van de ervaringen die zij hebben opgedaan. Maar die vooronderstelling bleek onjuist te zijn. Hoe 66 East te werk is gegaan, wordt slechts en passant in de inleiding verteld. Wat hun ervaringen zijn geweest, en of zij zijn geslaagd in hun opzet blijft onduidelijk.
De samenstellers beschouwen de bundel als het laatste programmaonderdeel van Transformatorhuizen en zijn zo genereus geweest om het als platform aan anderen aan te bieden. Hierdoor ontstaat de indruk dat de samenstellers – wars van enige navelstaarderij – de transformatieprocessen in verschillende achterstandswijken in Europese steden objectief hebben beschouwd en alternatieve manieren van interveniëren hebben verzameld. Bladerend door het boek blijft deze indruk van een open blik en een rijkdom aan ideeën overeind. Naast de transformatie van hun eigen Indische Buurt worden soortgelijke processen in wijken in Londen, Barcelona, Berlijn en Brussel geschetst en passeert een keur aan interventies de revue.

Bij lezing blijkt de bril van de samenstellers echter veel gekleurder dan ik in eerste instantie had vermoed. Het open beschouwen blijkt verbeten blik te zijn, gericht op de processen van gentrification die bij de transformatie van achterstandswijken optreden. Op de achterflap worden de vragen over de gevolgen van de transformatie van wijken en buurten voor bewoners nog open gesteld: is er (werkelijk) sprake van een verbetering van de wijk, welke bewoners profiteren hiervan en wat is de rol van kunst en cultuur in deze ontwikkeling?
Maar de toon wordt al in de eerste alinea van het boek gezet: “Gentrification, om het maar simpel te zeggen, is een term die de uitbuiting van de economische waarde van onroerend goed vervlecht met een visie die wijkbewoners als objecten ziet in plaats van betrokkenen bij stadsvernieuwing. Hoewel volksbewegingen typerend zijn voor steden, is gentrification een specifiek geval waarbij de ene maatschappelijke groepering een andere, minder welgestelde maatschappelijke groepering in een specifieke wijk vervangt – een definitie die gentrification relateert aan klasse”.
Deze koppeling van het proces van transformatie aan de klassenstrijd in onze hedendaagse maatschappij, staat centraal in de essays die zijn opgenomen. De bijdragen bieden volgens de samenstellers een beeld van het debat over gentrification. Maar is dit debat werkelijk zo eenzijdig als het doorklinkt in de essays, of hebben de samenstellers er bewust voor gekozen om alleen de kwalijke kant van de zaak te belichten: gentrification als ‘nexus van klassengeheugen met hedendaags maatschappelijk geweld’? Binnen dit kader worden de alternatieve interventies gepresenteerd, interventies die vaak ontstaan zijn vanuit interdisciplinaire samenwerking tussen architecten en kunstenaars. Het levert een mooie, heel interessante en bonte verzameling van strategieën. De strategieën zijn zeker de moeite waard om in te grasduinen en verdienen onderzoek naar de mogelijke betekenis indien ze op grote schaal worden toegepast.

Door de eenzijdige theoretische inbedding van gentrification, het negeren van andere perspectieven op het transformatieproces en de legitimatie van gentrification door sommigen niet au serieux te nemen, scheren de samenstellers echter langs de kern van de problematiek. Waar vinden partijen – gemeente, woningcorporaties, ontwikkelaars, oude en nieuwe bewoners – elkaar? Wat is in alle verscheidenheid hun gezamenlijk belang? Pas als de samenstellers de verongelijktheid voorbij zijn, kunnen sommige strategieën als een wenkend perspectief voor een echt inclusieve stad worden beschouwd, want dat deze het denken over de betekenis van de transformatie van wijken voor de bewoners verrijken, staat vast.