Feature —

“Wat hebben we het goed!”, Bij de uitvaart van een stadsjamaan

Piet Vollaard

Zaterdag 7 maart is met een allerlaatste happening afscheid genomen van de ‘magiër van een nieuwe tijd’, inspirator van provo, rasverteller, wegbereider van Magisch Centrum Amsterdam, vlottenbouwer en –bewoner, stadsnar en –sjamaan Robert Jasper Grootveld. De stad is weer een beetje saaier geworden, maar wat hebben we het goed, aldus Robert Japer Grootvelds laatste openbare woorden.

Robert Jasper Grootveld was een merkwaardige eenling die desondanks in staat is geweest de ingeslapen hoofdstad van de jaren vijftig door een reeks van acties en happenings om te toveren in het magisch wereldcentrum van de jaren zestig en zeventig. Hij deed dat op basis van een hoogstpersoonlijk programma, zonder beleid, zonder commissie en in het begin zelfs zonder enige aanhang. Als iemand credits verdient voor het vestigen van het ‘merk’ Amsterdam, dan is hij het. Niet dat hij daar zelf overigens iets mee op zou hebben gehad, zijn acties waren altijd gericht tegen het consumentisme, tegen het gevaar van de reclame, de ‘publissitie’ en voor het plezier, het genot (gnot) en de vrije uiting van creativiteit in de stad. In veel opzichten was Robert Jasper Grootveld de ‘architect’ van het tolerante, internationale, creatieve Amsterdam, dat zijn hoogtijdagen beleefde in de late jaren zestig en zeventig, zijn vervolg kreeg de kraakbeweging en de vrije kunstenaarsbroedplaatsen en dat door de recente gemeentelijke opschoonacties (alles onder het mom van versterking van het ‘merk’ Amsterdam) stukje bij beetje onder het vloerkleed wordt geveegd.

Manusje van alles en glazenwasser Robert Jasper Grootveld, tot het einde van zijn leven een overigens tevreden, doch verstokt roker, begon zijn loopbaan als katalysator van het nieuwe Amsterdam rond 1962 met een langdurige anti-rookactie waarbij hij alle sigarettenreclameposters in de stad (en dat waren er in die jaren erg veel) voorzag van de kreet Kanker (of kortweg K). Hij deed dit uiterst consequent en beschouwde het als een volwaardige dagtaak. Geen poster ontsnapte aan zijn vetkrijtjes, en hij deed een tweede ronde zodra de posters waren overgeplakt. Toen hij de posterfirma Publex bijna onder de knieën had en hij al een keer 60 dagen in gijzeling had gezeten veranderde hij van tactiek en locatie. Aanvankelijk door op het nog in zijn kinderschoenen staande fenomeen van happening gebaseerde, seances te organiseren in zijn eigen anti-rooktempel. Nadat de tempel door een uit de hand gelopen rookactie in brand vloog, verplaatste hij zijn seances naar het Spui. En daar, bij het door de sigarettenindustrie geschonken standbeeld van het Lieverdje, elke zaterdagnacht stipt om 12.00, groeide zijn tot dan toe nog bescheiden reputatie en aanhang en begon het smeulende lontje pas echt vlam te vatten. Deels verkleed als Zwarte Piet from hell (de bovenste helft) en deels in travestie (de onderste helft) ging hij onder het zingen van het antirooklied (Uche, uche, uche; publicity, publicity, publicity) voor in antirookdiensten. Grootveld had een sterk gevoel voor woordsmederij en de kracht van de herhaling, die hij ook in de door hem aangevallen reclame zag. Waarom not, neem toch Gnot, Imaazje, God Jan Publiek, Klaas kom(t) (Sinterklaas, K, speelde als alternatieve profeet een belangrijke rol in zijn mythologie), de misselijk makende middenstandsmentaliteit,  hipperzweter (hidden persuader), magisch centrum, Marihu; Grootveld voegde een niet gering aantal kreten en begrippen toe aan het alternatieve vocabulair van zijn tijd.

De happenings bij het Lieverdje trokken de aandacht van een jonge generatie anarchisten (Grootveld was in die jaren al dik in de dertig) die net een blaadje Provo hadden gepubliceerd, en de rest is geschiedenis. Het vuurtje verspreidde zich over de stad, rellen bij het huwelijk van Beatrix, kamervragen, politieoptreden, maar ook het witte fietsenplan, een initiatief van Robert jasper Grootveld, en de eerste kraakacties waren het gevolg.

De stad ging met Grootvelds ideeën aan de haal. Geen punt, het was juist de bedoeling iets in gang te zetten, maar zelf was hij teveel eenling om daar verder nog een rol in te spelen. Grootveld wordt een internationale beroemdheid, en gaat zelfs op tournee met zijn happenings. Hij zag zijn visioen van tien jaar terug, ‘Ik zie duizenden Amerikaanse beatniks naar het Vondelpark komen’ tot vervulling komen toen het Vondelpark vanaf 1972 enige jaren een grote internationale openlucht sleep-in werd. Zelf raakte hij betrokken bij de Lowlands Weed Compagnie, en deelde gratis weedplanten uit (daarmee is hij ook een van de pioniers van een inmiddels belangrijke economische sector). Maar de happenings raken uit de tijd. Al veel eerder, in de jaren vijftig, was Grootveld op een eenpersoonsvlotje van nauwelijks een vierkante meter door de Amsterdamse grachten gevaren en had daarmee zelfs de internationale pers gehaald (tekenend voor zijn gevoel voor media-aandacht, maar ook is direct duidelijk hoe weinig er die dagen gebeurde op straat, als je met een vlotje al de wereldpers haalt). Vanaf de jaren zeventig gaat hij steeds grotere vlotten op basis van piepschuimblokken bouwen en waren zijn drijvende bouwsels overal in Amsterdam te zien. Hij organiseert zelfs managementcursussen voor de politie op een van die drijvende eilanden.

Met deze drijvende eilanden laat hij aan jongere generaties zien dat er altijd ergens een plek in de stad is te vinden waar je je gang kunt gaan. Het gaat misschien ver om in deze vlotten het begin te zien van het in bezit nemen door de zogenaamde stadsnomaden en de creatieve klasse van verlaten panden en terreinen. Maar aanstekelijk waren ze wel. En in dat opzicht is Robert Jasper Grootveld niet alleen architect van het Amsterdamse ‘imaazje’ van magisch centrum en tolerante stad, maar ook de voorbereidende stedenbouwer van de vele broedplaatsen in kraakpanden en op oude haventerreinen die Amsterdam in de jaren negentig opnieuw faam bezorgden.

En nu is hij dood. Zijn laatste jaren in een verzorgingstehuis slijtend, overleed hij 25 februari op 76-jarige leeftijd. Afgelopen zaterdag was de stad nog een keer getuige van een laatste happening. Na een rituele rondgang rond het Lieverdje, nog één keer Uche, Uche, Uche, Publicity, Publicity, en een dienst in de schuilkerk aan het Singel werd zijn kist op een vlot gedragen en in een uitvaart met vlotten en bootjes, begeleid door een opgewekte stoet paradijsvogels en meewandelende en fietsende vrienden en belangstellenden over de Amstel naar Zorgvliet gevaren.

Geheel tegen mijn gewoonte in, want ik moet niet zo veel hebben van dergelijke openbare exhibities (om maar even met Grootveld te spreken), was ik er bij. Ik was te jong om het allemaal bewust te hebben meegemaakt, maar ben oud genoeg om de sporen van zijn aanwezigheid in de afgelopen decennia telkens weer op te zien duiken. Ik, en met mij een hele generatie, heb er van kunnen profiteren. Wandelend door de stad, een prachtig lentezonnetje, was er echter maar weinig meer te merken van de vrijheid, de speelsheid en de magie die Robert Jasper Grootveld heeft geïnitieerd. Aangeharkt, opgeschoond en glimmend gepoetst ligt de stad er bij. De graffiti keurig afgeschrobd, de kraakpanden netjes opgeknapt, de haventerreinen herverkaveld, de woonboten allemaal voorzien van welstandskeurmerk of weggesleept. Zelfs de Wallen moeten er nu aan geloven en met een potsierlijke move mag diezelfde creatieve industrie die Grootveld katalyseerde nu de plaats innemen van de hoeren die hij in zijn getroebleerde jeugd bezocht. Het kan verkeren.

Het stadsbestuur heeft weinig meer op met de Grootvelden van onze tijd, zo ze nog bestaan. Robert Jasper Grootveld heeft nooit echt de erkenning gekregen waar hij recht op had. Niet van de officiële Nederlandse kunstkliek, die graag koketteert met de Situationisten, maar die een even unieke tijdgenoot onder hun neus grotendeels negeert. En evenmin van de stad zelf. Burgemeester Cohen stuurde in 2002 zelfs een nogal harteloze afwijzing toen enige vrienden poogden hem te eren met een stadpenning. Het kan geen kwaad om uit de afwijzingsbrief te citeren, want het tekent de houding van deze tijd:

”Alleen als mensen zich buitengewoon verdienstelijk hebben gemaakt voor de stad komen zij voor een onderscheiding in aanmerking. Ook komt een medaille hen toe die het beeld van de stad naar buiten toe positief uitdragen, waarbij geldt dat personen op het moment van voordracht actief moeten zijn. [..] Robert Jasper Grootveld is een markante figuur uit de geschiedenis van de stad, maar zijn rol en betekenis zijn niet van dien aard dat dit het toekennen van een medaille rechtvaardigt.” Tot zover de burgemeester van het Amsterdam van de 21ste eeuw. Hoe bot kun je zijn. De ‘misselijkmakende middenstandsmentaliteit’ heerst opnieuw.

Intussen was het bij de uitvaart een vrolijke boel, en zal het Robert Jasper voortaan een rotzorg zijn wat de stad over hem denkt. Zijn laatste openbare spreuk, op krukken wankelend voor het Lieverdje uitgeschreeuwd, is op video vastgelegd. Het is een mooie opwelling van een echte stadsjamaan, en de kreet klonk dan ook vaak langs de Amstel afgelopen zaterdag. Met welke boodschap kunnen we beter de crisis te lijf dan met Robert Jasper Grootvelds laatste openbare woorden:

WAT HEBBEN WE HET GOED!!!!