Recensie —

De heldere stem van een stille generatie – Juliaan Lampens in perspectief

Philip Willaert

De Witte Zaal in Gent belicht momenteel het werk van de ‘vergeten architect’ Juliaan Lampens. Het is de eerste tentoonstelling sinds de retrospectieve ‘Juliaan Lampens 1951-1990′ in de Singel (Antwerpen) in 1991. De expositie in Gent focust op een aantal van zijn belangrijke verwezenlijkingen en geeft blijk van een grote herwaardering van Lampens’ vooruitstrevend talent.

Huis Van Wassenhove #2, 2009 foto Jan Kempenaers
Huis Van Wassenhove #2, 2009
foto Jan Kempenaers

Juliaan Lampens (°1926) is afkomstig van de De Pinte bij Gent. Hij stamt uit een artisanaal gezin. Van zijn vader, die schrijnwerker is, erft hij een scherpe zin voor ambachtelijke degelijkheid. Van kindsbeen af legt Lampens een uitgesproken talent voor tekenen aan de dag en droomt hij ervan om schilder te worden. Op advies van de dorpsonderwijzer schrijft bij zich in 1940 in aan het Hoger Instituut voor Kunst- en Vakonderwijs in Sint-Lucas Gent voor de opleiding technisch tekenaar. Van 1946 tot 1950 studeert hij architectuur aan hetzelfde instituut en in zijn afstudeerjaar richt hij zijn eigen bureau op in Eke/ Nazareth. Lampens' loopbaan zal pas tien jaar later een hoge vlucht kennen wanneer zijn architectuur echt tot wasdom is gekomen. Vóór 1960 bouwt hij in een soort vernieuwde traditionele stijl waarvan op de tentoonstelling in Gent jammer genoeg geen enkel voorbeeld te zien is.

Open concept
Vooral onder invloed van de Wereldtentoonstelling in Brussel (1958) gooit Lampens het roer om. Zijn woning (1960) vormt een belangrijk keerpunt in zijn carrière. De architect neemt daarin afscheid van het burgerlijke wonen. Het huis als een verzameling van afzonderlijke kamers die door muren, deuren en gangen van elkaar gescheiden zijn, zegt hij voorgoed vaarwel. Daarvoor in de plaats introduceert hij een open concept waar alle ruimtes verbonden zijn. De architect droomt van een plek waar het wonen in een kleine gemeenschap tot zijn essentie is herleid. Dicht bij de natuur. Sinds die tijd werkt Lampens bijna exclusief met beton, staal, hout, glas en af en toe met baksteen. Zijn woningen zijn ontworpen in harmonie met de omgeving en behandelen thema’s als begrenzing, richtlijn en oriëntatie. Zo spreekt men bij Lampens niet meer van ramen maar van glaswanden. Het glas bevestigt het binnen en kadert het landschap. Woning en landschap staan op gelijke voet.

Woning Vandenhaute - Kiebooms #2, 2009foto Jan Kempenaers
Woning Vandenhaute – Kiebooms #2, 2009
foto Jan Kempenaers

Neutraal licht
De tentoonstelling in Gent is een hommage aan deze ‘vergeten’ architect. Lampens is nooit de man geweest van het grote gebaar en raakt ongemerkt op de achtergrond. Hij behoort in België tot wat men is gaan noemen de ‘stille generatie’.
De tentoonstelling neemt als vertrekpunt drie woningen – zijn eigen woning in Eke (1960), de woning Vandenhaute-Kiebooms in Huise (1967), en de woning Vanwassenhove in Sint-Martens-Latem (1967) – en de bedevaartskapel O.L.V. Van Kerselare in Edelare (1966). Te zien zijn onder meer tekeningen, schetsen  maquettes en foto's van Jan Kempenaers. Deze laatste fotografeert bij  neutraal licht om vooral geen accenten te leggen op Lampens architectuur. Zijn beelden tonen geen franje maar de naakte werkelijkheid van de materialen: beton, hout, glas, natuur. Kempenaers weert elke hiërarchie uit zijn beelden,waardoor je als kijker geen richting wordt uitgestuurd maar het oog vrijelijk kan laten dobberen over het gehele beeldoppervlak. Kempenaers' foto’s benadrukken de betekenis, de context en de eerlijkheid van Lampens’ architectuur. De groene maquettes in kunststof zijn wat ze zijn en illustreren de uitgesponnen en beeldende vormentaal van Lampens. Ondanks al het prachtige materiaal mist deze tentoonstelling een samenhang en een gestuurde cross-over van de ene zaal naar de andere. De toeschouwer wordt aan zijn lot over gelaten door de misschien wel té artistiekerige setting, de tentoonstelling ontbreekt het nagenoeg aan een visie. Dit alles doet gelukkig geen afbreuk aan het fraaie werk van Lampens.

Ruimtelijke conventies
Dat Lampens nu volop in de kijker staat heeft allicht te maken met zijn minimalistische vormentaal, een vormentaal die vandaag erg populair is in de hedendaagse architectuur. Maar Lampens is vooral Lampens, iemand die zijn eigen weg volgt en gaandeweg tot bepaalde gezichtspunten komt in zijn architectuur. Ruimtelijke conventies onderwerpt hij aan een kritisch onderzoek. Hij speelt met het ‘plan libre’ waar Le Corbusier wereldberoemd mee is geworden. Geijkte woonvormen zet hij op zijn kop. Als het gaat over lichtbehandeling, bedoelt hij niet zomaar licht. Ook hier slaagt Lampens er in om buiten de traditionele oevers te treden. Hij behandelt het licht soms heel sacraal en weet ten gepaste tijde, zoals in de woning Vandehaute Kieboons in Huise, het licht op de keukentafel zo te doen vallen waardoor de tafel metamorfoseert in een altaar. Het is soms pure metafysica.

Bedevaartskapel O.L.V. Van Kerslare #2, 2009 Jan Kempenaers
Bedevaartskapel O.L.V. Van Kerslare #2, 2009
Jan Kempenaers

Frivoliteit
Lampens’ realisaties zijn in geen geval somber zoals de brutalistische architectuur dat vaak wel is. Een mogelijke verklaring voor het succes van Lampens’ woningen ligt volgens de tentoonstellingsmakers, in het feit dat de architect erin slaagt om precies de traditionele brutalistische architectuur van zijn starheid en claustrofobie te ontdoen. In tegenstelling tot veel andere architectuur van zijn tijd bieden zijn woningen een gevoel van veiligheid, stralen ze tegelijkertijd ook transparantie en zelfs frivoliteit uit. Het is een architectuur die het conventionele overstijgt en de klemtoon legt op het utopistische avant-gardisme van het wonen zonder grenzen. In tegenstelling tot de burgerlijke nadruk op individualiteit en patriarchaat plaatst deze stijl gemeenschappelijkheid en gelijkheid binnen de leefruimte voorop.

Ronchamp, een bordeel
De kapel van Kerselare in Edelare (1966), die als een schans diagonaal ten hemel rijst, is een van Lampens’ weinige opdrachten in de publieke ruimte. De leden van de kerk werden destijds een beetje slinks om de tuin geleid. "Ik heb veel valse tekeningen gemaakt! Alleen de pastoor kreeg mijn échte plannen te zien. Hij steunde mij, al was het maar om de notarissen uit de streek klein te krijgen", liet de architect zich recent in een interview ontvallen.
Jaarlijks bezoeken duizenden bedevaarders de kapel. Vooral de meimaand en de autowijding op Hemelvaartdag zijn bijzonder populair. Het zijn echter niet alleen gelovigen die de kapel bezoeken, maar ook toeristen die omwille van de gewaagde architectuur een kijkje komen nemen. Vlaams minister van Ruimtelijke Ordening Dirk Van Mechelen (Open VLD) hoort kennelijk ook tot de bewonderaars. Hij wil namelijk de kapel van Kerselare beschermen als een monument. De architectuur ervan is niet gedesacraliseerd noch triomfantalistisch, het gaat om de elementen van de lucht tot de aarde. Het altaar staat halverwege en niet aan het hoogste einde. Lampens noemt de kapel van Ronchamp een ‘bordeel’. “Wellicht slaat de afkeuring”, zo schrijft Paul Vermeulen in de catalogus Juliaan Lampens 1950-1991, “op de warme, roomse parafernalia die Le Corbusier eigenhandig in onschuldige trance lijkt te hebben aangebracht.” Daar is het voor Lampens niet om te doen. Architectuur is een zoektocht naar het waarachtige en authentieke, al de rest is overbodig.