Feature —

Green reciprocity

Vincent Kompier

Geen discussie zonder duurzaamheid. Het thema mag vandaag de dag op geen enkele gespreksavond ontbreken. En sinds enkele maanden is er nog een mag-niet-ontbreken-thema: de wereldwijde kredietcrisis. Beide onderwerpen kwamen aan bod in het laboratoriumgesprek green reciprocity waar onder meer gediscussieerd werd over de rol en positie van de ontwerper in moeilijke tijden.

Met ondersteuning van de Nederlandse Ambassade en het Stimuleringsfonds voor Architectuur is in Berlijn de lezingenserie Architectur ist die Botschaft opgezet. Doel is om ideeënuitwisseling tussen Nederlandse en Duitse architecten te bevorderen door hen prikkelende toekomstscenario’s voor te leggen en te discussiëren over wat architectuur vermag. Het laboratoriumgesprek werd georganiseerd door Aedes, het architectuur- en stedebouwplatform van Berlijn. Voor de gelegenheid en het thema was een drietal Nederlanders uitgenodigd. Titel van het gesprek: green reciprocity.

De verantwoordelijkheid van (landschaps-)architecten als vakgemeenschap ten aanzien van het milieu en de samenleving ligt gecompliceerd. Ook de zoektocht naar nieuwe strategieën voor groene perspectieven verloopt moeizaam. Wat is de toekomstwaarde van duurzame mobiliteit, energiebesparende technologie en design, nulemissiestrategieën, autarkische levenswijze, groene stad-land-netwerken? Ofwel: hoe kan een groene toekomst er uit zien en wat kan architectuur daaraan bijdragen?

Op het podium zaten Tracy Metz, journalist bij NRC Handelsblad; Ton Venhoeven, architect en rijksadviseur voor infrastructuur en mobiliteit; Duzan Doepel, architect uit Rotterdam en de enige niet-Nederlander: Andreas Kipar, landschapsarchitect.

Ton Venhoeven merkte op dat stadsplanning en infrastructuur momenteel nog erg achterblijven als het om duurzaamheid gaat, terwijl daar veel ecologische winst valt te halen; architectuur alleen is lang niet genoeg om de toekomstige opgave het hoofd te bieden. Hij roemde de omslag van Nederland Distributieland, tien jaar geleden, naar het inzetten op creatieve (stads-)economie. Laatstgenoemde is veel duurzamer omdat ze minder gericht is op één economische factor, namelijk de distributie-economie.

Wat valt er te leren van de wisselwerking tussen stad en land? Andreas Kipar stelde dat landschappen belangrijker worden. Niet zozeer om productietechnische reden, maar omdat landschappen een andere functie hebben; die van identiteit, herkenning en herinnering. In China en andere landen met snelgroeiende economieën is het landschap een sta-in-de-weg voor economische ontwikkeling. In Europa niet, en dat moet zo blijven. Ontwikkelaars kijken namelijk allang niet meer alleen naar de kwaliteiten van een gebouw, maar betrekken meer en meer de omgeving in het totaalontwerp.

Venhoeven constateerde echter dat de belangrijkste vestigingsvoorwaarde voor mens en bedrijf tegenwoordig de aanwezigheid van een internationale luchthaven is. Waar vroeger nog hele volksstammen de stad verlieten om buiten te gaan wonen is de nabijheid van een internationale luchthaven tegenwoordig vestigingsvoorwaarde nummer een. De groeimogelijkheden gaan daardoor per regio enorm verschillen. Zelfs in Nederland is een aantal krimpregio’s te benoemen.

Als het om duurzaamheid gaat zijn er doelen genoeg, was de algemene conclusie. Maar aan de juiste middelen ontbreekt het nog. In Australië wordt een sustainability-index gehateerd, ook – of juist – in de stedenbouw. Een dergelijk instrument is er in Nederland nog niet. Zo’n EPC op stadsdeelniveau zou steden kunnen stimuleren duurzaam te gaan plannen, is de gedachte.

De discussie over de bijdrage van architectuur aan verbetering van de wereld werd interessant op het moment dat de rol en positie van de ontwerper aan bod kwam. Want de middelen om doelen te bereiken zitten niet zozeer in de hardware van architectuur. Het veranderen van louter de vorm lost het probleem niet op. Er is veel meer aan de hand. Aan de ene kant zijn de duurzaamheidontwikkelingen bijna niet bij te houden. Die technische innovatie biedt grote kansen. Tegelijkertijd, waarschuwde Metz, moeten we ons niet blindstaren op de techniek, want die heeft ons in het verleden genoeg ellende en vervuiling bezorgd. Ook zijn er problemen die vragen om oplossingen die niet met techniek zijn op te lossen. Het gaat niet sec om het ontwerp, maar om de vaststelling dat de ontwerper de positie heeft om veranderingen in gang te zetten. Dat besef dient een ontwerper te hebben. Ook speelt dat een groot deel van de huidige problemen alleen kan worden opgelost indien er meer bottom-up wordt gewerkt. Venhoeven noemde Mumbai als voorbeeld. Niet omdat het zo mooi ontworpen is, maar omdat deze stad ondanks de explosieve groei gewoon blijft functioneren. Vooral omdat veel mensen het heft in eigen hand nemen. Verandering van het systeem is daarbij noodzakelijk. De huidige crisis kan daarvoor een goede katalysator zijn.

Op de zaalvraag of dit niet heel erg een yes, we can-avond voor ontwerpers was, werd gereageerd dat design uiteraard niet dé oplossing is voor alle problemen, maar dat er nu wel een scherpe paradigmaverschuiving plaatsvindt. Er is behoefte aan meer kleinschaligheid, meer initiatieven van onderop, meer zelfontwikkeling en meer burgermacht, aldus Venhoeven. Organische groei zou voor veel steden als ontwikkelingsmodel voor stadsontwikkeling moeten gaan fungeren, meent hij. En het liefst geen universele, allesoverheersende visie meer. Als je een visie hebt, moet je naar de dokter, citeerde Venhoeven de voormalige bondskanselier van Duitsland Helmut Schmidt.

De tijd van attitude-architectuur is over.