Feature —

Het geheim van de kleine b en de grote O

Tim de Boer

In het kader van de manifestatie Maak Ons Land ondervroeg Mariet Schoenmakers (directeur AM nieuwe ideeën) op 22 januari de Belgische architect bOb van Reeth, inmiddels supervisor van de Zuidas, over zijn werkwijze en zijn gedachten over de stad.

Mariet Schoenmakers mocht van het NAi iemand uitnodigen die zij beter wilde leren kennen. Schoenmakers koos voor bOb van Reeth omdat zij de wijze waarop zijn gebouwen in de stad passen bewondert. Zij ziet veel van haar eigen vragen terug in zijn werk.

Een interview of gesprek kan meer informatie opleveren en geanimeerder zijn dan een lezing of monoloog. Deze avond was dat echter niet het geval. Het werd een beetje moeizaam kennismakingsgesprek, waarin Linda Vlassenrood (hoofd presentatie NAi) de meest doortastende vragensteller was. bOb van Reeth denkt lang na voor hij iets zegt. Daarmee belichaamde hij meteen zijn opvatting van architectuur; zorgvuldigheid is een belangrijk kenmerk van zijn werk. Of zoals hij het zelf stelt: zijn werk (en de schrijfwijze van zijn naam) is een daad van bescheidenheid. Van Reeth ziet zichzelf en zijn beroep in de eerste plaats als dienend, de opdrachtgever moet tevreden zijn met het resultaat, maar ook als iemand met een verantwoordelijkheid naar de stad toe.

Volgens Van Reeth bestaan er maar enkele westerse stadsvormen die daadwerkelijk succesvol zijn. Experimenten met nieuwe vormen hoeft van hem dan ook niet. Hij grijpt terug op types die in de afgelopen eeuwen ontwikkeld zijn. Bij het ontwerpen trekt hij zich weinig aan van de functies en het programma van eisen. Mensen en gebouwen functioneren volgens hem namelijk niet: 'wie heeft ooit iemand horen zeggen dat hij naar tevredenheid functioneert?'. Mensen leven en gebouwen moeten daaraan aan te passen zijn. Hij ontwerpt zo dat in de loop van de tijd verandering in gebruiker en gebruik gerealiseerd kan worden. Op de vragen van Schoenmakers over zijn werkwijze kon hij geen duidelijk antwoord geven. Hij deed eigenlijk alles tegelijk; de analyse van de context, het programma en het ontwerpen zelf liepen allemaal door elkaar op zijn bureau. Daar schoten we natuurlijk niet zoveel mee op. Maar doorgevraagd werd er ook niet.

In Nederland is zijn houding ten opzichte van de rol van de architect eerder uitzondering dan regel. Het lijkt daarom vreemd dat juist hij benaderd is om supervisor bij de Zuidas te worden. Van Reeth vond zelf ook dat hij er niets te zoeken had, maar op klassiek Belgische wijze – zie ook een premier die eigenlijk geen premier wil zijn – was hij toch akkoord gegaan. In tweede instantie is zijn aanstelling best logisch. De Zuidas moet volgens de plannen een onderdeel worden van de stad. Op dit moment zijn de verhoudingen in de ontwikkelingen echter zoek, en niet zozeer omdat de tunnelplannen door de crisis onhaalbaar lijken geworden. Van Reeth constateerde een ander probleem, hij stelde dat op de Zuidas de balans tussen openbare ruimte en bebouwing niet goed is. In oudere steden is de hoeveelheid bebouwing veel groter en de publieke ruimte veel geconcentreerder. Dat Van Reeth het stedenbouwkundige plan en de uitwerking daarvan meer in de klassieke richting zal sturen ligt, gezien zijn warsheid van experiment, zeer voor de hand. Wat zijn aanstelling in Amsterdam zal opleveren moeten we afwachten, maar een interessant voorbeeld zal het zeker worden.

Door de avond heen klonk een oproep tot bescheidenheid. Niet alleen bescheidenheid ten opzichte van het vak, maar ook bescheidenheid in het publieke debat over architectuur. Je hoeft niet alle details en achtergronden van je ontwerp van de daken te schreeuwen. Voor waardering door de gebruikers is dat helemaal niet nodig, waarom zou je hen lastigvallen met de mededeling dat het gebouw op de wulpse vormen van je vrouw gebaseerd is? Wordt het gebouw er beter van?

Van Reeth lichtte in het NAi zijn opvattingen toe, maar zijn ontwerpwijze bleef voor ons achter zeer globale bewoordingen verborgen.