Opinie —

“We zitten goed op de Julianalaan, vooral geen iconen en leve de jaren zeventig”

Piet Vollaard

Zo zou je generaliserend het eindoordeel van de jury van de ideeënprijsvraag voor een Nieuw Bouwkunde kunnen karakteriseren. Daar valt nog wel het een en ander op af te dingen en over te discussiëren. Een aanzetje…

Het voormalige techniek Museum TU delft met 466 inzendingen aan de muur
Het voormalige techniek Museum TU delft met 466 inzendingen aan de muur

[bekijk de winnende plannen hier]

De ontwerpprijsvraag is uitdrukkelijk uitgeschreven als een ideeënprijsvraag, met de bedoeling een aantal belangrijke kwesties ten aanzien van het Nieuwe Bouwkunde te onderzoeken om daarmee het programma van eisen en de locatiekeuze scherp te stellen. De twee hoofdthema’s waren: new concepts, kortweg een visie, inclusief een ruimtelijke uitwerking, op de toekomst van het architectuuronderwijs met de goede punten van het oude gebouw en het huidige onderwijs en onderzoeksysteem in het achterhoofd en Dynamics of city and campus, een visie over de positie van de faculteit Bouwkunde; waar komt het nieuwe gebouw en hoe verhoudt Bouwkunde zich tot de overige faculteiten van de TU en de stad Delft/Randstad? Subthema’s die in de beoordeling zijn meegenomen waren economische haalbaarheid (nauwelijks op ingegaan door de deelnemers), duurzaamheid (vrijwel overal uitspraken over gedaan) en trends in onderwijs en onderzoek (over het algemeen niet echt verrassende uitspraken over gedaan).

Natuurlijk was de prijsvraag ook een gelegenheid om een veel grotere groep studenten en professionals dan het handjevol architecten dat straks aan een ontwerpaanbesteding mag meedoen de gelegenheid te geven mee te denken over het nieuwe Bouwkunde. Vooral ten aanzien van deze veel bredere betrokkenheid mag de prijsvraag absoluut geslaagd worden genoemd. 466 goedgekeurde ingezonden ontwerpen waarvan 35% van studenten(teams), 21% vrouwen(teams) en 322 buitenlandse inzendingen. Een enorme taak voor de jury om daar chocola van te maken en tegelijk ondoenlijk voor een recensent om deze taak van de jury over te doen. Een discussie over de resultaten moet wel uitgaan van de selectie en het oordeel van de jury.

Wat direct opvalt, als we de eindselectie van acht genomineerde plannen overzien, is dat de jury uit de enorme hoeveelheid opties ten aanzien van de twee hoofdthema’s een duidelijke voorkeur uitspreekt voor een beperkt aantal mogelijkheden. Waarom anders niet één, maar twee voorstellen voor hergebruik van het Julianalaangebouw, niet één, maar twee voorstellen die het nieuwe gebouw uitstrekken over de Mekelweg, niet één, maar drie-en een halve inzending die het programma op oude locatie als een lage plak, in een kassen/landschapstypologie uitsmeert? Andere smaken kent de eindselectie en dus de jury niet, ondanks de enorme diversiteit van de inzendingen. Hoogbouw is voor deze jury kennelijk geen optie, meer dan drie verdiepingen mag het nieuwe Bouwkunde niet hebben zo lijkt men te willen zeggen. Dat dit wel degelijk een keuze van de jury is, en niet een representatie van de breedte van de inzendingen, blijkt uit het vooronderzoek dat ten aanzien van de inzendingen is gedaan. Daarin zijn de inzendingen onder meer onderverdeeld in 13 verschillende gebouwtypologieën, uiteenlopend van monoliettypen, atriumtypen, sponstypen, basement plus hoogbouwtypen, tot wijnrektypen etcetera. De jury kiest er daaruit niet meer dan twee a drie. Het is mogelijk dat voorstellen voor al die andere typen domweg slecht waren, maar waarschijnlijk is dat niet.

Vreemd is de uitgesproken afkeer van hoogbouwopties, en ook wel een beetje angstig, vergelijkbaar met de reactie na 9/11 toen even elk hoog gebouw zodanig moest worden ontworpen dat er zonder problemen een vliegtuig tegenaan kon vliegen. De jury lijkt ook een enorme angst of weerzin te hebben gehad tegen grote compacte bouwmassa’s, terwijl dit uit duurzaamheidsoverwegingen toch een prima oplossing is. En geheel volgens de heersende overtuiging bij de ontwerpelite mag een nieuw gebouw absoluut geen icoon zijn, of  zelfs maar de kans lopen tot icoon te worden. Je hoort het de jury bijna zeggen bij de welkomstkoffie: “Jongens, alles behalve een icoon, laten we het daar over eens zijn, en nu we het er toch over hebben: geen Superdutch.”

Ook de uitgesproken voorkeur van de jury voor een andere locatie dan die van het oude gebouw is opvallend, het merendeel van de inzendingen houdt namelijk niet helemaal onrealistisch de oude locatie aan. Dat de jury bovendien twee plannen voor hergebruik van de huidige locatie van de faculteit aan de Julianalaan honoreert is niet opvallend gezien het heersende sentiment sinds de verhuizing, maar het mag nauwelijks een verrassende bijdrage aan de ideeënvorming worden genoemd. Buitenlandse inzenders waren wat dit betreft bovendien in het nadeel, die hadden immers geen weet van deze succesvolle verhuizing.

Ten aanzien van de locatiekeuze kan er bij de laatste acht plannen nog worden gesproken van een representatie van de door de inzenders gekozen hoofdopties: oude plek, Julianalaan, Mekelweg. In dat opzicht lijkt de jury de discussie nog open te willen houden. Maar daar houdt de representatie (en de discussie?) dan wel op. Niet alleen zijn bepaalde gebouwtypen uitgesloten bij de prijswinnende selectie (ze zitten nog wel bij de laatste 60 plannen van de voorlaatste ronde), de jury toont met de eindselectie ook een uitgesproken voorkeur voor het informele en voor het gedachtegoed van de jaren 70. Een typische jaren 70 architect als Frank van Klingeren zou zich heel goed kunnen vinden in lage, uitgesmeerde kassen en patiotypen onder de winnende plannen. Misschien had de jury toch even moeten denken aan het lot van ’t Karregat.

De voormalige leden van de radicale jaren '70 groep Superstudio, die hun monumentale theoretische plannen onmiddellijk naast zich neerlegden toen ze eenmaal gingen bouwen en zich zelfs bekeerden tot traditionalisme (Natalini) of een soort structuralisme (vierwindenhuis van Frassinelli) zullen zich de oude ogen wel even uitwrijven als ze zien dat een zo uitdrukkelijke hommage en/of pastiche als ‘A World Without Objects’ zo maar een eerste prijs krijgt. De jury ziet dit plan weliswaar vooral als provocatieve bijdrage aan de discussie, maar lijkt tegelijk weinig oog te hebben voor totaal onpraktische kanten ervan. Een ‘straat’ van 500 meter lang, een bibliotheek van 24 verdiepingen (als de jury hoogbouw toestaat, dan doet ze het ook gelijk goed) “highly convincing in terms of the spatial qualities and richness in use? Kom nou, ik ben een groot bewonderaar van Superstudio en deze hommage mag van mij daarom best gehonoreerd worden, maar de oorspronkelijke  architecten van Superstudio zijn de eersten die zullen zeggen dat we inmiddels wel in de 21ste eeuw leven en dat hun voorstellen nooit bedoeld zijn om ook daadwerkelijk te bouwen.

Ja de 21ste eeuw, hoe zit het daarmee? Welk plan is in dat opzicht visionair te noemen? Visionary power was toch waar de jury naar zocht. Welk plan dares to go boldly where no one has even been? Welke impact heeft de toegenomen mediatisering, internationalisering en digitalisering op de architectuur en het architectuuronderwijs? Zijn er nog andere duurzaamheidsopties dan wonen in een kas? De antwoorden op dergelijke vragen zijn er misschien wel, maar de eindselectie hebben ze niet gehaald. In dat opzicht is het mooi gepresenteerde ‘dorp op een heuvel’ Learning and creating misschien nog het meest verrassend. De ‘provinciaalse’ connotaties die mogelijk aan dit plan zouden kunnen worden verbonden, heeft ondanks de grote waardering voor concept en uitwerking, kennelijk tot discussie geleidt bij de jury. Tja, als je bang bent om voor provinciaaltje te worden uitgemaakt, dan is het wel heel erg gesteld met je gevoel voor eigenwaarde. Dit plan had alleen daarom al ook een eerste prijs verdiend.

De jury heeft een bewonderenswaardige taak verricht, de prijsvraag uiterst serieus genomen, een uitgebreid en afgewogen juryraport geschreven, gaat uitgebreid in op de ingezonden plannen, geeft aan meer dan 70 plannen een oordeel, de kwaliteit van de genomineerde plannen is prima en de drie eerste prijs winnaars verdienen een kans in een volgende ronde. Maar de jury heeft zich in de finale keuze jammer genoeg toch ook laten leiden door enige behoudzucht en persoonlijke voorkeur. Er had wat mij betreft meer provocatie in de gepremieerde plannen mogen zitten, en zeker meer variatie. De winnende plannen vertonen ook een opmerkelijk verstopgedrag. Verstopt in een bestaand gebouw, onder de grond van de Mekelweg of in een landschap. Geen van de winnaars steekt de kop fier boven het maaiveld uit. Ik ben voorstander van een bescheiden, open gebouw en een bescheiden positie van Bouwkunde op de campus. Een zekere neutraliteit, het gebouw primair als gebruiksvoorwerp (noem het desnoods performative), allemaal prima, maar dat betekent nog niet dat dat er geen zelfbewust en zichtbaar gebouw kan worden gemaakt. Het lijkt door al dit verstoppen haast wel alsof de deelnemers (of eigenlijk de jury die deze winnaars koos) het geloof in de architectuur van 'het gebouw an sich' zijn verloren.

Het is ook de vraag of de opdrachtgever van de prijsvraag er met deze selectie nu heel erg veel mee is opgeschoten als het gaat om de aanscherping van het uiteindelijke programma van eisen. Erg veel verder dan een eerste verkenning van de mogelijkheden van het opgegeven standaardprogramma komt het in de eindselectie over het algemeen niet. Gelukkig zijn alle plannen uit de laatste ronden in het NAi te zien en kunnen we met z’n allen de discussie verder brengen.