Feature —

De (on)mogelijkheid van een open architectuurgeschiedenis

Stijn Hooijer

In zijn pamflet Sterrenstof. Honderd jaar mythologie in de Nederlandse architectuur, ageert Auke van der Woud tegen vastgeroeste ideeën over de vernieuwing in de architectuur rond 1900. Slechts twee architecten, Cuypers en Berlage, worden daar verantwoordelijk voor geacht. Een geschiedbeeld dat volgens Van der Woud veel te beperkt is. Op 5 maart debatteerde prof. dr. Auke van der Woud hierover met een aantal van zijn studenten.

De avond in het Academiegebouw in Groningen werd gekenmerkt door eensgezindheid. Van der Woud bevond zich in een gezelschap van gelijkgestemden en kreeg alle gelegenheid zijn stelling uit de doeken te doen. Scherpe kritiek kreeg hij niet te verduren. Toeval of niet, dit typeert uitstekend de ontvangst van zijn pamflet. Voorstanders getuigen opgelucht van een bevestiging in hun vermoedens, terwijl tegenstanders er het zwijgen toe doen.

Van der Woud is sinds 2002 hoogleraar Architectuur- en Stedenbouwgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen, gespecialiseerd in de negentiende eeuw. Hij hield zich al vroeg bezig met dit tijdvak. Zijn afstudeerscriptie over de Groningse Jozefkerk van P.J.H. Cuypers (1827-1921) schreef hij begin jaren zeventig, terwijl architectuurhistorici in die tijd nog weinig van de negentiende eeuw wilden weten. In zijn boek Sterrenstof uit Van der Woud zijn onvrede over de canonieke geschiedschrijving, die zich te veel baseert op het herhalen van andermans meningen, in plaats van op gedegen wetenschappelijk onderzoek. Dit ‘napraten’ had volgens hem tot gevolg dat de kunst en architectuur uit de negentiende eeuw bijna honderd jaar in een verdomhoekje hebben gezeten. Bovendien heeft het ervoor gezorgd dat H.P. Berlage (1856-1934) geldt als degene die in zijn eentje de Nederlandse architectuur uit het slop heeft weten te trekken en dat hij daarin werd voorafgegaan door weer één enkele persoon, namelijk Cuypers.

Aan dit ‘model’ kleven twee problemen. Ten eerste werden twee architecten die eigenlijk heel conservatief werkten als toonbeeld van nieuwe architectuur genomen. Cuypers’ rationele manier van bouwen werd opgehemeld, terwijl hij bouwde in de traditie van de Katholieke kerkenbouwers in landen als Duitsland en Frankrijk. Berlage bouwde, net als veel Nederlandse architecten in die tijd, in een eclectische stijl. Ten tweede ontstond het idee dat een ontwikkeling zich voltrekt via individuele personen, terwijl er in een periode veel tegelijk gebeurt. Een groep jonge architecten in Amsterdam, die zich rond 1890 afzetten tegen de traditionele architecten, hebben deze twee architecten met een mediacampagne tot grote hoogte weten te brengen. Berlage werkte zelf mee aan de mythe als enige in staat te zijn geweest zich los te maken van de schijnarchitectuur en lelijkheid van de negentiende eeuw.

Uit de hype rond Berlage blijkt dat een wetenschappelijk onderzoeker voorzichtig moet zijn met de uitspraken van een architect. Een architect is geen vrij kunstenaar, maar moet een bedrijf runnen. Het valt Van der Woud op dat uitingen van architecten maar al te vaak klakkeloos worden overgenomen. Berlage bereikte eeuwige roem door dat wat hij zei, niet door zijn architectuur, meent Van der Woud. Zijn gebouwen waren alles behalve vernieuwend. ‘Wie ervoor kiest de Nederlandse moderne architectuur met de Beurs (van Berlage) te laten beginnen, moet beseffen dat het moderne dan met een schoolvoorbeeld van eclecticisme begint: de stijlloze architectuur die door de aanhang van Berlage en Cuypers werd verketterd’, schrijft hij in Sterrenstof.

De bereidheid van de jongere generatie om Cuypers en Berlage op te hemelen verklaart Van der Woud uit het vertrouwen dat deze architecten wisten op te roepen. In een tijd van onzekerheid, waarin de bouwkunst niet langer bepaald werd door architecten, maar door de marktwerking, benadrukten zij de waarde van een rationele constructie. De term rationalisme stamde echter al uit de negentiende eeuw, toen het door de katholieken werd gebruikt om het ambacht in de opkomende industriële samenleving te verheerlijken. Hij noemt het frappant dat deze term later, in zijn betekenis van nadruk op constructie, als oorsprong van de moderne architectuur wordt bestempeld. De voorschriften voor ‘goede’ twintigste-eeuwse architectuur waren dus helemaal niet zo nieuw als werd beweerd.

Hoewel er sinds 1970 veel meer kennis is van de Nederlandse negentiende-eeuwse architectuur, wordt er nog steeds gedacht vanuit een aaneenschakeling van belangrijke personen. Deze wijze van geschiedschrijving moet verdwijnen, aldus Van der Woud. Meerdere keren benadrukt hij dat hij Cuypers en Berlage als architecten niet wil diskwalificeren. Het gaat hem om een meer open beeld van de geschiedenis, waarin de complexiteit van de werkelijkheid een plaats kan krijgen. Behalve invloedrijke architecten moet bijvoorbeeld de invloed van opdrachtgevers, aannemers en politiek onderzocht worden.

Tot nu toe heeft het kijken naar een bredere context een reeks interessante studies opgeleverd. Zo heeft Van der Woud zelf onderzoek gedaan naar de stedenbouw in de negentiende eeuw in een landschappelijke, geografische en sociaal-culturele context. Van der Woud vraagt zich echter af of het zal helpen. Een kenmerk van een open geschiedbeeld is dat het aan verandering onderhevig is. Past dit in het hedendaagse  verlangen om de geschiedenis in te passen in een vaststaand kader – getuige alle canons? De radiostilte met betrekking tot zijn pamflet kan deze twijfel bevestigen.

Bij dit alles moet niet vergeten worden dat architectuurhistorici de Nederlandse negentiende eeuw nog maar relatief kort serieus bestuderen. Het losweken van vastgeroeste ideeën kan alleen na veel onderzoek en dus veel tijd geschieden. Nu al kan niet iedereen volhouden dat een ontwikkeling in de architectuur gebaseerd kan zijn op de verdiensten van slechts twee personen. Het is een kwestie van tijd dat iedereen overstag zal gaan. Er is toch niemand die voor altijd met oogkleppen op zijn wereld wil aanschouwen?