Recensie —

Modernistische Ruines

Joost Zonneveld

De jonge Franse kunstenaar Cyprien Gaillard vraagt zich af hoe we in de toekomst de modernistische architectuur uit de twintigste eeuw kunnen begrijpen als de meeste gebouwen worden afgebroken. Bij Stroom Den Haag is zijn eerste solotentoonstelling in Nederland te zien.

Cyprien Gaillard, Chateau d'Oiron, 2008 (courtesy Cosmic Gallery, Paris)
Cyprien Gaillard, Chateau d’Oiron, 2008 (courtesy Cosmic Gallery, Paris)

Op de grote foto Chateau d’Oiron (2008) is een pad te zien dat naar een Frans landhuis leidt. Dat pad blijkt te bestaan uit puinresten van afgebroken flatgebouwen uit de voorsteden van Parijs die door de Franse kunstenaar Cyprien Gaillard (1980) naar het platteland zijn verplaatst. De oprijlaan van het kasteel en de omliggende paden heeft hij vol laten storten met verpulverd beton. Dat kun je opvatten als een eerbetoon aan die afgedankte gebouwen, maar Gaillard waarschuwt vooral voor de teloorgang van de modernistische architectuur die als anoniem plaveisel een voetnoot in de architectuurgeschiedenis dreigt te worden. De modernistische torenflat, ooit het symbool van een toekomst van vooruitgang, lucht en ruimte, eindigt hier als ogenschijnlijk nutteloos pad naar een kasteel, dat in de publieke opinie nog wél de moeite waard wordt gevonden.
Dat we de modernistische architectuur aan het begraven en vernietigen zijn, vormt een rode draad in het werk van Gaillard. Om dat duidelijk te maken plaatst de Fransman die gebouwen – of de restanten ervan – in een historisch kader, presenteert ze als monument om te herdenken of, in de vorm van een ‘opgraving’, als museumstuk.

Opening Dunepark (foto: Stroom Den Haag)
Opening Dunepark (foto: Stroom Den Haag)

Bij de tentoonstelling in Stroom hoort ook het werk Dunepark. Gaillard liet een bunker uit de Tweede Wereldoorlog uitgraven in Scheveningen. Na de oorlog werd de betonkolos met zand bedekt en bleef er slechts een klein puntje zichtbaar. Door de kracht die van het massieve blok beton uitgaat te laten zien en tijdelijk uit het verleden op te roepen, levert hij commentaar op de aanstaande vernieuwing van Duindorp waar menig gebouw tegen de vlakte zal gaan. Gaillard laat zien wat eerder is weggestopt, ontkend en daardoor vergeten. En daarmee waarschuwt hij dat hetzelfde opnieuw dreigt te gebeuren. Hier laat hij de naderende toekomst heel letterlijk zien door het verleden bloot te leggen. Die is onlangs overigens bijgesteld door graffiti kunstenaars die hun kans schoon zagen en hun sporen op de bunker achterlieten.

Volgens Gaillard is de vernietiging van de moderne architectuur een vorm van cultureel staatsvandalisme, waarvan de gebouwen het slachtoffer zijn. De woonkazernes worden geassocieerd met achterstandswijken, verloedering en sociale problemen. Maar het is wel erg gemakkelijk om de gebouwen daarvan de schuld te geven. Het is de vraag of afbreken en nieuw bouwen de sociale problemen oplost. Volgens Gaillard is dat een misvatting, reden om de door de overheid geïnitieerde gentrificatie die de motor vormt achter de voortschrijdende vernietiging van de modernistische architectuur in Europa te becommentariëren. Hij vraagt zich af hoe we in de toekomst de modernistische architectuur uit de twintigste eeuw kunnen begrijpen als het meeste daarvan is afgebroken. De kunstenaar ziet het simpelweg vervangen van de ene vorm van bebouwing door de andere als een ontkenning van een belangrijke periode uit de Westerse culturele geschiedenis.

Cyprien Gaillard, Belief in the Age of Disbelief, 2005 (Courtesy of Laura Bartlett Gallery, London)
Cyprien Gaillard, Belief in the Age of Disbelief, 2005 (Courtesy of Laura Bartlett Gallery, London)

Gaillard waarschuwt niet alleen, hij komt ook op voor het modernistische flatgebouw. Een mooie manier om dat te doen is te zien in de serie etsen Belief in the Age of Disbelief (2005) die Stroom ook toont. Iconische modernistische flatgebouwen zijn in pittoreske Hollandse landschapsprentjes uit de 17de eeuw neergezet. De flatgebouwen staan nog fier overeind maar ogen als ruïnes. Juist door hun verval en door de landelijke en pittoreske omgeving waarin ze zijn geplaatst, zijn ze ook lieflijker, minder streng en minder zakelijk geworden. Hoewel op de etsen steeds slechts één flatgebouw in een landschap is te zien, vormen ze gezamenlijk wellicht de droom die romanticus Gaillard zegt te koesteren: een groot park met torenflats uit de 20e eeuw, een reservaat van hedendaagse ruïnes, waar afgedankte gebouwen een plek hebben om hun laatste jaren te slijten.

Door het proces van verval wordt ieder gebouw uiteindelijk kwetsbaar en toegankelijk. Daarmee lijkt Gaillard de modernistische architectuur te willen bevrijden van zijn, door de huidige tijdsgeest bepaalde, negatieve imago. Modernistische gebouwen zijn uiteindelijk onschuldig. De kritiek van Gaillard kan daarmee breder opgevat worden dan het lot van de moderne architectuur alleen. Want loopt niet iedere vorm van bouwkunst het risico ooit uit de gratie te raken? De gebouwen die dat treft, vermalen we tot puin. Als je weet dat de paden die naar het Franse Chateau d’Oiron leiden, uit vermorzelde gebouwen bestaan, dan bekruipt je het gevoel dat het landhuis zelf ooit ook zomaar slachtoffer kan worden. Het is als rondlopen op een kerkhof: door de aanwezigheid van de doden, besef je dat je zelf ook een keer aan de beurt bent.