Feature —

Rijke Vlaamse architectuur – Robbrecht in Bozar

Gideon Boie

Het was de beurt aan Paul Robbrecht – goudvis van de Vlaamse architectuur en zaakvoerder van het succesvolle bureau Robbrecht en Daem – om op te treden in de lezingenreeks van het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten (BOZAR). Robbrecht en Daem zijn in Nederland vooral bekend door de uitbreiding van Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam en de hergebruikte Aue Paviljoens in Almere. De portfolio van het bureau neemt de laatste jaren een hoge vlucht met onder meer de recente opening van de vermaarde Whitechapel Gallery in Londen.

Aue Paviljoens, Documenta IX, Kassel (foto: Kristien Daem)

De titel van de lezing Pacing Through Architecture legt de relatie bloot tussen architectuur en filmkunst. In de reflectie op de projecten die hij door de jaren heen met Hilde Daem realiseerde, werd dan ook snel de passie duidelijk voor architecturale aspecten die veelal ongedacht blijven, zoals ruimtelijke ritmering, afgemeten kleurbehandeling, materiaalbeleving en diafragmentatie van lichtpartikels. Robbrecht ontsluierde bovendien zijn inspiratiebronnen door uitgebreid in te gaan op zijn fascinatie voor de geschiedenis van de plek en de kunstgeschiedenis. Zo passeerden Piranesi, Cy Twombly, Cezanne, Gerhard Richter, Seurat, Nijinsky en vele anderen de revue. Kortom, het publiek kreeg een caleidoscopisch inzicht in de rijke autonome Vlaamse architectuurcultuur waarbinnen Robbrecht zich voortbeweegt. Vlaamse architectuur is een verheven kunstvorm en het oeuvre van Robbrecht en Daem in het bijzonder – iets wat ook de nauwe samenwerking verklaart met hedendaagse topkunstenaars zoals o.a. Christina Iglesias, Rodney Graham en Franz West.

Door meermaals te herhalen dat architectuur in geen geval een sculpturale bezigheid is, zette Robbrecht zich met klem af tegen het uitbundig vormelijke oeuvre van hedendaagse architecten. Het mag dan ook geen toeval heten dat precies Willem-Jan Neutelings een week of wat tevoren in hetzelfde instituut het verzamelde architectenpubliek toesprak over de zoektocht van opdrachtgevers naar een herhaling van het Bilbao-effect en hoe je hier als architect optimaal op in kunt spelen. Het oeuvre van Robbrecht en Neutelings biedt niet alleen qua vorm, maar ook qua taal een wereld van verschil. Hoewel de frivole, associatieve architectuurtaal van Robbrecht vaak onnavolgbare kronkels maakt, was het vooral de ‘Hollandse’ openhartigheid van Neutelings die wrevel in de zaal veroorzaakte, in het bijzonder toen enig cynisme in de toespraak ontwaard werd. Met de allereigen Paul Robbrecht in huis kon de Belgische architectuurwereld weer opgelucht adem halen – het publiek vergaf Robbrecht eerbiedig waar hij woorden te kort kwam.

De lezing werd een poëtische apologie in zeven strofes die hier noodgedwongen in verkorte vorm weergegeven wordt:

I Ligging, de genoegdoening
Aan de hand van een foto van rustende mensen rond de Aue Paviljoens in Kassel wordt het ‘liggen’ als eerste daad van wonen beschreven. Liggen is een plaats kiezen en het aanvaarden van de gegeven wereld waar je je niettemin aan onttrekt. De Paviljoens vormen een promenade waarin de bezoeker kan bewegen binnen een filmische overlapping van zichten op groen landschap en uitgestalde schilderijen die functioneren als denkbeeldige vensters op de wereld. De paviljoens lijken op aan elkaar voorbij schuivende treinwagons en refereren zo aan het idee dat er geen finale plek bestaat voor kunst – wat versterkt wordt door het ontbreken van een fundering.

Rubensplein Knokke, 2000-2004 (foto: Kristien Daem)

II Wachten en ronddollen
Voor het Rubensplein in Knokke diende ‘Une baignade à Asnières’ van Georges Seurat als inspiratie: de verbeelding van de nieuwe industriële wereld waarin voor het eerst een cultuur van vrije tijd ontstond. De burleske beelden van kunstenaar Franz West op het plein lijken zo van de Paaseilanden af te komen. De twee geabstraheerde koppen van zes meter turen richting zee. Het Rubensplein nestelt zich in een oksel waar de aaneengesloten gevelrij aan de Belgische kust zich even terugtrekt. Hierdoor ontstaat een speelveld dat voorzien is van een maritiem kleurenspel.

III Wandelen en stilstaan / doorgaan en blijven
De Whitechapel Gallery bestaat uit een gevel in Victoriaanse stijl gecombineerd met een Arts and Craft-gevel. Het nieuwe ontwerp verhevigt deze iconografie. Daarbij plaatst het potsierlijk een kunstwerk van Rodney Graham, Erasmus omgekeerd te paard, bovenop een heropgebouwd torentje. De twee centrale ruimten blijken een gelijke kolommentypologie te kennen die niettemin verschillend ingevuld wordt: de Lower Gallery heeft een lange Basilica-achtige typologie en is bedoeld voor het vrij rondwandelen, terwijl de centrumtypologie van het Grieks kruis terugkeert in de Commission Gallery, die dienst doet als artist-in-residence.

IV Kleuren en alleen zijn / muziek / geluid
De High Views zijn twee uitkijktorens in het landschap van Lincoln en Boston. De torens zijn opgebouwd uit wat Robbrecht het geheimschrift in zijn oeuvre noemt: de balustrades bestaan uit kleurenrijen en wiskundige reeksen, geïnspireerd op muziek en de kleur van vogels uit de streek – een terugkerende spanning tussen willekeur en relatie. De opvallende slingervorm van de uitkijktoren is ontleend aan de architecturaal blasfemische distorsie in de gewelfdiagonalen van Lincoln Cathedral die het kerkgebouw een onverklaarbare onrust geven. Robbrecht verwijst kort naar Gerhard Richter’s War Cut waarin de overwegende rode kleur fungeert als een tegenzet: een tegelijk machteloos en duidelijk teken.

Concertzaal Brugge 1999-2002 (foto: Kristien Daem)

V De afgrond / chaos is een kloof, de rots
Het Concertgebouw in Brugge vindt haar oorsprong in de etymologie van het woord chaos dat staat voor kloof, afgrond en scheiding, tussen het ik en de omgeving. De foyer bepaalt de scheiding tussen de chaos van wat Robbrecht het ‘heropgebouwde Jeruzalem van het Noorden, dagelijks ingenomen door een horde toeristen’ noemt en het innerlijke leven van de concertzaal. Dit contrast met de stad wordt benadrukt door het buitenvolume de vorm te geven van een landschappelijk element: een rotsformatie. De kleur van het buitenvolume is gebakken aarde (zoals de beschermde daken van Brugge) en werd via een spectraal analyse omgezet in een NCS-code die het mogelijk maakt om een passende complementaire kleur te kiezen (de petroleumkleur gebruikt in de bekleding van de concertzaal). Deze werd verder ontleed in serum blauw (ogen), Veronese groen (gal) en marsrood (lever), voor de balustrades. De rotsformatie vormde bij Paul Cezanne in ‘Mont Sainte Victoire’ het startschot tot de geometrisering van de wereld – later verder ontwikkeld in het kubisme.

ontwerp voor ZOO Antwerpen, Robbrecht en Daem

VI De stroom / de ruis / glijden
Continuïteit en vlieden staan centraal in het ontwerp voor de Zoo van Antwerpen dat een momentaan gevoel van eenheid biedt aan haar gebruikers. Omsingeld door de stad en het aanpalende stationsgebouw, wordt deze kwaliteit versterkt door de rand van de Zoo vorm te geven als een rotsmassief. Zo wordt een habitat gedefinieerd voor zowel apen, mensapen en  mensen. De Zoo als een Tuin van Eden waarin iedereen ten opzichte van dieren gelijk gesteld wordt. Ruis: net zoals de tekeningen van Cy Twombly een beangstigende horror vacui vormen van tekens, mythologische verwijzingen en andere vreemde inscripties moet de hele geschiedenis doorruisen in de architectuur.

VII Organen cirkels / Spiralen
De spiraalvorm in de Melkerij van Gaasbeek toont hoe gezocht werd naar architecturale organismen die binnen een bepaalde configuratie met elkaar in confrontatie gaan. Dit organisme wordt versterkt door de materialisatie van de gebouwhuid en de muren die letterlijk opklimmen tot het gewelf. Robbrecht haalt inspiratie uit Piranesi’s prent ‘Campo Marzio’ waar binnen een gereconstrueerd, fantasmatisch Rome een strijd losbarst tussen ruimtelijke organismen. Het ontwerp voor de Collectie Hauser Wirth in Sankt Gallen brengt een sequentie aan in de spiraalvormige voormalige locomotiefhal en beheerst zo het licht dat toetreedt tot de ruimte. Robbrecht merkt op dat licht niet moet worden gezien als een golf, maar als zandpartikels die je als architect moet strooien over mensen in verschillende partikelgrootte en binnen bepaalde diafragma’s.

Robbrecht beëindigt zijn lezing door schichtig het podium te verlaten niet zonder het publiek achter te laten met verstilde beelden van zijn toch wel indrukwekkende bedrijfspand.