De kritische, onafhankelijke website van de Lage Landen over architectuur en meer

Zoeken
Nieuws — 21.04.09

Westerdoksdijk Amsterdam

Rudy Uytenhaak, Jeroen Mensink

Op het Westerdokseiland is een nieuw stuk stad met een behoorlijk hoge dichtheid toegevoegd aan het centrum van Amsterdam. Als haringen in een ton of aantrekkelijk wonen middenin de binnenstad? De architecten Rudy Uytenhaak en Jeroen Mensink namen poolshoogte.

Een opeenvolging van vier stevige gebouwcomplexen, van elkaar gescheiden door smalle straten, verscheen er recent op het Westerdokseiland, vlakbij de Amsterdamse binnenstad. De locatie ligt naast het centraal station en wordt aan alle kanten omgeven door water. In de richting van het station worden de blokken dieper, van bijna 0 tot ongeveer 80 meter. Het Westerdokseiland is één van de laatste eilanden in het IJ die, na het wegtrekken van de haven uit de stad, worden herontwikkeld. Aan de noordzijde van de locatie komt in de toekomst nog het grote, op basis van zichtlijnen doorsneden bouwblok IJDock van Mastenbroek en Van Gameren half in het water te liggen. Aan de zuidzijde ligt aan het Westerdok een ruime, aantrekkelijke kade met woonboten. Het gebied is (al lange tijd) met een aluminium fietsbrug van Meyer & Van Schooten rechtstreeks verbonden met de binnenstad (Haarlemmerdijk).

Het masterplan voor het gehele gebied is van OD 205. De uitzichten over de stad en het IJ zijn magnifiek, zowel vanuit de hoger gelegen woningen als vanaf de gezamenlijke dakterrassen. Terrassen in de traditie van Siemensstadt, Berlijn en Van den Broek in Rotterdam en zoals we die kennen uit Una Giornata Particolare. Je kunt over het IJ uitkijken tot voorbij Java eiland en over de binnenstad tot voorbij de Zuidas en Sloterdijk. De binnenhoven zijn het meest geslaagd, als ze ten minste aan één zijde uitzicht bieden op het Westerdok of op het IJ. Die kwaliteit wordt gek genoeg niet altijd benut. Alle hoven zijn afgesloten, vaak door grote wat minder vriendelijk ogende stalen hekken. Maar het is kennelijk noodzakelijk om de binnenhoven af te schermen, zo midden in de stad. Opvallend is dat het plan een groot aantal grondgebonden woningen kent. Er zijn niet alleen appartementen gemaakt, maar aan de binnenpleinen staan ook stadshuizen en dat levert een gedifferentieerd woonmilieu op.

Het voorste complex, La Grande Cour, met gebouwen van Meyer & Van Schooten, Architekten Cie en Heren 5, is als eerste gerealiseerd. De gebouwen van de verschillende architecten lopen bijna naadloos in elkaar over, een slimme pakking van stapelen en uithollen, met bruggen en periscopen. Zo worden op de juiste plekken gaten gemaakt in de massa, wat leidt tot een luchtige compactheid. De periscopen beginnen als torens op het binnenterrein en gaan dan over in bruggen die over de schil van het blok heen steken. Daardoor ontstaan poorten, met veel gebouwvolume op een slanke footprint en dus veel openbare of in dit geval collectieve ruimte op het maaiveld. De meeste woningen bevinden zich op plekken waar de condities voor daglicht, bezonning en uitzicht het meest ideaal zijn. Ook ontstaan verrassende doorkijkjes en vergezichten in deze intelligente driedimensionale puzzel.
Bij Meyer & Van Schooten zijn de gebruikte materialen voornaam en is de detaillering zorgvuldig, waardoor het geheel een chique, gedistingeerde uitstraling heeft. De materialisering van Architekten Cie heeft met de rode vloer en de panelen met prints iets van een gimmick en bij Heren 5 is het karakter informeler, minder gedefinieerd.

Het tweede ensemble, VOC Cour, met gebouwen van MVRDV en Jeroen Schipper Architecten is meer een samenstelling van individuele gebouwen, een aaneenschakeling van appartementengebouwen die je ook afzonderlijk had kunnen bouwen. Het binnengebied is dan ook duidelijk een restruimte tussen gebouwen, in tegenstelling tot La Grande Cour, waar de binnenruimte zorgvuldig in samenhang met de bebouwing is ontworpen. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat dit oordeel vooruit loopt op de voltooiing van de inrichting van deze binnenruimte.

de punt van Bob van Reeth (links) en blok Westerkaap II van DKV, AWG en Baneke van der Hoeven met tuin van DS Landschapsarchitecten
de punt van Bob van Reeth (links) en blok Westerkaap II van DKV, AWG en Baneke van der Hoeven met tuin van DS Landschapsarchitecten

Het derde complex, Westerkaap II, toont in de binnenhoven wel weer een subtiel samenspel van architectuur (van DKV, Baneke Van de Hoeven en AWG) en inrichting (DS Landschapsarchitecten). Al gebeurt dat soms wel heel letterlijk, door in beiden hetzelfde materiaal toe te passen. Het complex is ruimtelijk minder verrassend dan het Grande Cour, maar bezit wel een subtiele allure. Naar eigen zeggen telt het (op kavelniveau) 175 woningen per hectare.

Het laatste gebouwcomplex, Westerkaap I, staat op het smalste uiteinde van de strook en is een samenwerking tussen Bob van Reeth en Baneke Van der Hoeven. Het gebouw van Bob van Reeth gaat tot de punt van de kavel. Hoewel, net niet helemaal, het scherpe randje is er jammer genoeg net vanaf gehaald, als een afgeschaafd puntje kaas. Toch lijkt het bij een bepaald standpunt, net als bij het Flatiron Building in New York, alsof er alleen een gevel staat, zonder gebouw erachter. Omdat deze kavel niet erg diep is, vormt de overgebleven binnenruimte meer een straat dan een plein.

Meestal worden de binnenhoven van de bouwblokken groter naarmate de maat van het bouwblok toeneemt. Bij La Grande Cour is slim gebruik gemaakt van de ruimte binnenin het blok. Door de verkeersruimte van de gebouwen aan elkaar te koppelen zijn ook de vluchtwegen efficiënt ontworpen. Nadeel is dat bezoekers daardoor gemakkelijk van het ene in het andere blok kunnen komen, wat de sociale controle niet bevorderd. Het samengevoegde complex is te groot om alle medebewoners te (her)kennen. De dichte pakking gaat hier en daar ten koste van de woonkwaliteit. Op de punt hebben bewoners rondom uitzicht, maar er zijn ook eenzijdig georiënteerde woningen. In het VOC Cour zijn zelfs woningen met een balkon op het noorden!

Welk blok heeft uiteindelijk de hoogste dichtheid? Dat hangt af van de schaal waarop je kijkt. Op het niveau van de kavel zal het blok van Van Reeth de hoogste FSi (dichtheid in vierkante meters BVO per grondgebied) hebben. En naarmate het bouwblok groter wordt, komt er noodzakelijkerwijs meer lucht in. Bij gelijkblijvende hoogte zakt dus de GSi (het bebouwingspercentage) en de FSi van de kavel. Maar als je de ruimte die je om de kavel heen nodig hebt ook meerekent en kijkt naar de FSi op de schaal van de stad, dan heeft La Grande Cour waarschijnlijk een hogere dichtheid. De verdeling van massa en leegte is daar, op de schaal van de stad, gunstiger verdeeld.

Met hoge dichtheid bied je meer mensen de mogelijkheid te profiteren van de kansen en de geneugten van de stad. Wanneer bebouwing en omgeving vakkundig op elkaar worden afgestemd, kunnen de nadelen van dichtheid zoveel mogelijk worden beperkt of zelfs gecompenseerd. Met de juiste materialen en detaillering kun je – zoals La Grande Cour bewijst – een grootstedelijke allure laten ontstaan, zonder de indruk te wekken van hutje mutje opgesloten zitten in een woonkazerne.

Tags
Info

Het plan voor Westerdoksdijk vormt van west naar oost een mooie illustratie van de principes voor dichtheid die in de blokkenbibliotheek zijn onderzocht. Naarmate een veld van een bouwblok groeit, ontwikkelt de vorm met de meest optimale dichtheid zich van een schijf, via een meander naar een bouwblok. Wordt het bouwblok nog groter, dan verschijnt er bebouwing op het binnenterrein, eerst meanderend tegen de binnenschil en vervolgens weer meer in het centrum als toren. Dan als schijf en vervolgens – bijna als droste-effect – de herhaling van bovenstaande. Hoe meer bebouwing tegen de rand wordt geplaatst, des te meer volume daarbij kan worden gerealiseerd.

Zie ook het artikel dat Bart Reuser en Rudy Uytenhaak publiceerden in De Architect van november 2006 en het boek Steden vol ruimte, in 2008 verschenen bij Uitgeverij 010.

Print