Recensie —

Prix de Rome in de Kunsthal

Paul Groenendijk

In de Rotterdamse Kunsthal is nog tot en met 1 juni de tentoonstelling 200 jaar Prix de Rome te zien, gewijd aan de oudste Nederlandse kunstprijs voor jonge Nederlandse kunstenaars. De Prix de Rome werd ooit in 1808 gelanceerd door Lodewijk Napoleon. De aanwezigheid van koningin Beatrix bij de opening op 24 februari is een indicatie dat deze tentoonstelling vooral over beeldende kunst gaat. Inderdaad is slechts een klein deel gewijd aan het onderdeel architectuur.

De schone bouwkunst is vanaf het begin onderdeel van de Prix de Rome. In de negentiende eeuw werd architectuur immers behalve op militaire academies vooral op kunstscholen onderwezen. Nadat Thorbecke de prijs in 1851 heeft opgeheven, keert deze in 1870 terug onder verantwoordelijkheid van de nieuw opgerichte Rijksakademie. Daar wordt echter geen architectuur onderwezen. Tussen 1870 en 1966 wordt de Prix de Rome Bouwkunst 21 keer gehouden. De prijs wordt gekenmerkt door een gebrek aan deelnemers: twee keer zijn er helemaal geen kandidaten en vijf keer sneuvelt iedereen in de proefkamp. De gouden medaille wordt ook bij voldoende kandidaten niet altijd uitgereikt. Vanaf 1982 wordt – in het kader van de eerste AIR-manifestatie Kop van Zuid –  de Prix de Rome Bouwkunst nieuw leven in geblazen met een overweldigende hoeveelheid deelnemers als gevolg. De leeftijdsgrens wordt opgerekt tot 35 jaar en de prijs is niet langer een reisbeurs.

In principe leent architectuur zich goed voor een academische benadering. Resultaten van een prijsvraagopgave met een locatie en een duidelijk programma van eisen zijn goed vergelijkbaar. In de beeldende kunst is alles mogelijk en variëren de hyperindividuele uitingen van schilderijen tot performances en installaties. De anatomische en perspectivische studies waren nog wel vergelijkbaar. Maar architectuur, stedenbouw en landschapsarchitectuur zijn ook veranderd. Het individuele kunstenaarschap is in een tijd van teamwork en arbeidsdeling een illusie. Het idee van een drie maanden durende retraite in een atelier is ook volledig achterhaald. Het prijzengeld is aardig, maar architecten hebben waarschijnlijk meer aan een opdracht als bij Europan of een publicatie als bij de Jonge Maaskantprijs, andere initiatieven voor jonge architecten.

Architectuur blijft daardoor een vreemde eend in de bijt van de beeldende kunst, dat maakt ook deze tentoonstelling weer duidelijk. Wie zich alleen voor architectuur interesseert zal dan ook weinig van zijn gading vinden in deze op zich interessante tentoonstelling. Er zijn wat prachtige reisschetsen, onder meer van Van Eesteren en van Arthur Staal, te zien en tekeningen en maquettes van recente kandidaten. De in 1990 in het NAi gehouden tentoonstelling Uitgesproken talent (in de tijdelijke behuizing aan de Rotterdamse Westersingel), waarin de geschiedenis van de Prix de Rome pas in 1870 begint, was wat dat betreft meer geslaagd.