Recensie —

Ruimte om in te nemen: Observatorium bij Stroom

Lotte Haagsma

De kunstenaarsgroep Observatorium bouwt sinds 1997 objecten voor contemplatie en observatie, meestal in de openbare ruimte. Stroom Den Haag biedt tot en met 14 juni een tentoonstelling over hun werk. Geen doorsnee overzicht, het collectief koos voor een experimentele benadering van het eigen oeuvre.

Observatorium, bestaande uit Geert van de Camp, Andre Dekker en Ruud Reutelingsperger, maakt constructies en paviljoens die het publiek uitdagen tot bezetten, beklimmen en bovenal ondergaan. Vaak staan de objecten op een hoger punt of richten zich op boven een locatie, de bezoeker kan neerkijken op de omgeving of de blik richten op de horizon. Mijn eigen ontmoetingen met het werk beperken zich tot Rotterdam. De uitkijkpost boven de snelweg bij Terbregge bijvoorbeeld, waar bij het beklimmen van de flinke groene geluidswal waarop dit paviljoen ligt, de verwachtingsvolle spanning ontstaat die men ook ervaart bij het naderen van een met toeristeninformatiebord aangegeven 'mooi uitzicht' in de bergen. Hier echter geen majestueus dal dat zich aan je voeten uitstrekt, maar een brede snelweg vol voortsnellende forensen. Het is alsof je terugstapt in de tijd dat de snelweg nog een attractie was, een prachtig staaltje moderniteit waar je trots langs ging picknicken. Een ander werk stond in 2007 een paar dagen op het Hofpleinstation. Tijdens het muziekfestival Motel Mozaïque werd er geslapen, gediscussieerd, naar spetterende optredens geluisterd of gewoon prettig vertoefd. Een verwaarloost en vergeten stukje Rotterdam bloeide op, het borrelde opeens van de plannen om er permanent een bijzondere ontmoetingsplaats van te maken. Vorige zomer bouwden Van de Camp, Dekker en Reutelingsperger een verhoogde rondgang voor de jaarlijkse theaterkermis De Parade. Vanaf een bouwsteigerstellage kon je, ergens tussen deelnemer en toeschouwer, rustig het krioelende feestgewoel overzien – en meteen ook even de stand opnemen van de bouwput van een parkeergarage naast museum Boijmans. Van heel praktisch pragmatisch gebruiken tot mijmerend in de verte turen, een object van Observatorium biedt het allemaal.

Die openheid is heel prettig en werkt meestal perfect, maar bij Stroom twijfel ik. Observatorium wil duidelijk geen boek-aan-de-wand-tentoonstelling maken, geen rechttoe rechtaan presentatie met foto's, tekeningen en begeleidende tekstbordjes. Het collectief bouwde een groot ruimtevullend object en plaatste haar archief in het souterrain. Aan de muur hangt een afbeelding van een vijftiende-eeuws schilderij met daarop de heilige Hiëronymus in zijn studievertrek. Filosoof en publicist Bram Esser werd uitgenodigd om als onderzoeker en gastheer in de tentoonstelling plaats te nemen en haar gaandeweg in te vullen en vorm te geven.

Bij de opening stond er nog een maagdelijke installatie in de ruimte van Stroom. Als ik bijna twee weken later ga kijken, is de studieruimte, een hedendaags spiegelbeeld van het vertrek waarin Hiëronymus zich bevindt, door Esser in gebruik genomen. Nog ingepakte foto's van gerealiseerde Observatorium-projecten staan tegen de muur om opgehangen te worden. Esser weet nog niet precies hoe. Vaag schemeren de mij bekende en minder bekende projecten door het bubbeltjesplastic heen. Achter een luik in de vloer van de houten constructie leidt een trap naar het archief beneden. Daar liggen stapels dozen, ieder voorzien van etiket met wat basisgegevens van het project waarvan het documentatie bevat: tekeningen, folders, uitnodigingen, correspondentie en andere ongeordende paperassen.

Blanco begon Esser aan zijn taak, vertelt hij. Het werk van Observatorium was hem onbekend. Met een aantal topografische coördinaten als enige informatie (geen plaatjes, geen teksten) bezocht hij twaalf projecten in binnen en buitenland. Vaak waren de tijdelijke ingrepen lang geleden alweer afgebroken en moest Esser het doen met de locatie zelf en met verhalen van mensen uit de omgeving. Op poëtische wijze doet hij verslag van zijn observaties en ervaringen. Enkele van deze teksten hangen in Stroom, samen met een Google Earth-kaartje van de locatie en enkele vage artefacten als een gedeukt bierblikje. Daarmee moet de bezoeker het doen, althans voor nu. Want iedere dag kan Esser iets toevoegen of aanpassen, als dat hem goeddunkt.

De tentoonstelling bij Stroom is een work in progress dat zich ontwikkelt onder de ogen van de bezoeker en in de ontmoeting tussen bezoeker en gastheer. Een mooi concept, maar het vergt veel tijd en inlevingsvermogen om het werkelijk te ondergaan, terwijl de kracht van de objecten van Observatorium juist is dat ze een directe en intense ervaring bieden. Die directheid gaat bij Stroom vooralsnog verloren in een voortdurend proces met veel losse eindjes – maar wie weet worden die in de laatste fase aan elkaar geknoopt tot een zowel verrassende als informatieve presentatie. Wie gaat kijken zal het weten.