Nieuws —

Bij nader inzien: Liefdeloze snelwegarchitectuur in het hart van de stad

Tijs van den Boomen

Volkomen misplaatst staat het hoofdkantoor van De Lage Landen in het Eindhovense centrum. Met marmer en spiegelglas probeerde de stad eind jaren tachtig zijn industriële verleden weg te poetsen. ‘Waar is dat nou goed voor om daar zo’n gat te slaan?’

Mooi en lelijk zijn gevaarlijke begrippen als je het over architectuur hebt, daarmee laat je zien dat je een amateur bent, dat je je laat leiden door particuliere esthetische opvattingen. ‘Mooi’ gaat nog wel, alhoewel je beter termen kunt gebruiken als interessant, markant en stijlvast. Maar een gebouw ronduit als lelijk betitelen, dat grenst aan vloeken in de architectonische kerk.
Welnu, een van de lelijkste gebouwen die ik ken staat in het centrum van Eindhoven, pal tegenover de Vestedatoren van Jo Coenen, die in 2007 werd uitverkozen als Gebouw van het Jaar. Het lijkt alsof Coenen zijn elegante lichtgrijze verschijning welbewust tegenover het plompe, beige gebouw heeft gezet, zoals een mooie vrouw zich graag laat vergezellen door een lelijke vriendin.

De lange ongearticuleerde wand met spiegelende ramen herbergt het hoofdkantoor van De Lage Landen, naar eigen zeggen ‘a global provider of leasing, business and consumer finance solutions, including vendor finance and factoring’. Net zo non-descript als deze omschrijving – een Nederlandse versie is niet beschikbaar – is het gebouw zelf. Lang was ik ervan overtuigd dat er aan het  helemaal geen architect te pas was gekomen, dat projectontwikkelaar en aannemer eenvoudig een zo groot mogelijk gebouw hadden getekend op het beschikbare kavel.  Ik was dan ook hogelijk verbaasd toen ik erachter kwam dat het gebouw is ontworpen door De Bever Architecten, hetzelfde bureau dat onder andere met het Evoluon heeft laten zien hoe verfijnd het te werk kan gaan.

Met zijn spiegelglas en marmeren gevelplaten had het pand aan de snelweg weinig kwaad kunnen uitrichten, maar midden in het centrum legt het elk stedelijk leven lam. Te flaneren valt hier niet, er is op de hoek ternauwernood een trottoir van een meter breed overgeschoten. Het plein aan de achterkant van het complex – het Mignot en De Blockplein, vernoemd naar de tabaksfabriek die hier vroeger stond – is een parkeerplaats met slagbomen. Om eventuele passanten te ontmoedigen hebben de bewoners van het aanpalende appartementencomplex overal bordjes ‘verboden toegang’ opgehangen.

Mijn afkeer van het gebouw heeft, ik geef het toe, een historische achtergrond. Ik herinner me goed het bakstenen fabriekcomplex dat hier stond met een monumentaal, zes verdiepingen tellend hoofdgebouw en een hoge schoorsteen. Sigaren werden hier in de jaren zeventig al niet meer gemaakt: Mignot en De Block had het pand verkocht aan Philip Morris, dat er zijn sigaretten produceerde tot het bedrijf verkaste naar een reusachtige stalen hal aan de snelweg bij Bergen op Zoom.

In 1982 is het complex gesloopt, in een tijd dat nog bijna niemand oog had voor de cultuurhistorische waarde van fabriekspanden. Mariken Francissen was een van de uitzonderingen. Ze voerde actie voor het behoud van het negentiende-eeuwse complex en nadat de rechtszaak bij de Raad van State was verloren, volgde ze de sloop van begin tot eind en publiceerde ze daarover een curieus, handgeschreven dagboek. ‘Ik voel dit proces als een stervensbegeleiding’, schreef ze op 3 januari van dat jaar. In de bitterkoude winter liep ze elke dag naar de fabriek om te fotograferen. Ze volgde de mannen die met sloopkogels, snijbranders en graafmachines het complex te lijf gingen en in weerwil van zichzelf kreeg ze een band met hen. Ze ontdekte dat elk op zijn eigen manier sloopte: ‘Joep overwogener, mooier. Jan rauwer gevaarlijker, agressiever, het moet vallen.’ En een paar weken later: ‘Padam een gat erin gebeuld & weer laten liggen. Echt Thijswerk. Kan ik niet uitstaan. Waar is dat nou goed voor om daar zo’n gat te slaan?’ Toen de schoorsteen op 14 april werd opgeblazen trok de halve stad naar de oude fabriek om te kijken, maar al snel was Francissen weer alleen op het steeds legere terrein. ‘[Nu] kun je zien wat voor enorme kale vlakte Eindhoven 750 jaar stad er in het centrum bij krijgt. Eindhoven gatenstad. Emmenthalerkaas is er niets bij.’

Half juni stuitten de slopers bij het neerhalen van de fabrieksmuur op fundamenten van nog oudere fabrieken. Geen haan die er verder naar kraaide. De gemeenteraad deed eind juni nog een halfhartige poging om het portiershuisje te bewaren, maar zelfs Francissen vond dat mosterd na de maaltijd. En zo is de tabaksindustrie, waarvan de stad rond de vorige eeuwwisseling economisch afhankelijk was, uit het stadsbeeld verdwenen.