Feature —

De noodzaak van een integraal krimpbeleid

Aldo Trim

Sinds enige tijd wordt krimp gezien als actueel fenomeen dat een belangrijke rol zal gaan spelen in stedenbouw, architectuur en verwante professies. De afgelopen jaren is internationaal veel onderzoek verricht naar de verschijningsvormen en manieren om ermee om te gaan. Krimp is geen abstract doemscenario meer, maar een realiteit de onder ogen gezien moet worden.

Krimpende Europese steden de afgelopen 50 jaar (afbeelding uit de publicatie Atlas of Shrinking Cities)

Als symptoom van welvaart treedt krimp voornamelijk op in de rijkste landen van de wereld, daar waar oude monofunctionele gebieden hun positie verliezen door de aantrekkingskracht van bredere economische centra en er op demografisch vlak – deels door carrièreplanning – minder kinderen worden geboren. Ondanks dat welvaart vaak een oorzaak is, wat krimp op landelijk niveau tot een ´positief´ signaal maakt, is dit op lokaal niveau wel degelijk een punt van zorg, vooral als het fenomeen gecombineerd gaat met economische teruggang. De redenatie dat de kosten van de samenleving evenredig dalen met het bevolkingsaantal klopt niet, er ontstaan hogere kosten voor het faciliteren van een relatief kleiner bewonersaantal.

Om inzicht te verkrijgen in de landelijke problematiek, heeft de BNA het Ontwerplab Krimp opgericht. Op 13 mei jl. werd in het NAi de publicatie ‘Ruimte maken voor krimp’ aangeboden aan Henk Ovink, directeur Nationale Ruimtelijke ordening van het Ministerie van VROM. In dit kader vond een conferentie plaats waar ideeën voor een aantal studielocaties werden gepresenteerd en met lokale beleidsmakers en deskundigen besproken. De uitkomst van de studie is een ontwerpgerichte aanpak die vooruit loopt op andere factoren zoals economische en politieke. Daardoor mist de studie in sommige opzichten realiteitszin, maar kan deze wél dienen als leidraad voor het opstellen van een projectgerichte strategie voor krimpgebieden.

Verwachting krimp in Nederland tot 2025 (afb. uit publicatie Ruimte maken voor Krimp)

Sommige beleidsmakers staan al met beide benen in de werkelijkheid en voeren ook een actief krimpbeleid, anderen moeten deze omslag in het denken nog maken. Vooral de ontkenningsfase zorgt ervoor dat adequaat handelen uitblijft en men achter de feiten aanloopt. Vaak wordt de eigen situatie te rooskleurig voorgesteld en wordt een groeibeleid verdedigd met vertekenende prognoses.
Het is niet zo vreemd dat deze denkomslag bij velen moeilijk gaat. Het menselijk handelen wordt nu eenmaal gedreven door groei, de mens wil vooruit. Gemeentebestuurders presenteren liever ambitieuze uitbreidingsplannen of hoogbouw dan noodzakelijke sloop.

Parkstad Limburg is een goed voorbeeld van een regio waar de stap is genomen. Hier wordt krimp niet meer als een bedreiging van de eigenwaarde gezien, maar als een mogelijk potentieel voor herstructurering van het oude mijngebied. Parkstad Limburg wordt wel beschouwd als de ´avant-garde´ van krimp, maar lokale beleidsmakers geven aan dat het denkproces eigenlijk al te laat in gang is gezet. Lex Smeets, wethouder te Heerlen, benoemt vooral de relatie tussen de landelijke ontwikkelingstendens en de lokale situatie als gespannen. Er worden nog steeds bouwplannen gerealiseerd, terwijl er helemaal geen behoefte meer is aan uitbreiding. Maar de contracten waren reeds gesloten, stopzetten van de plannen zou leiden tot miljoenen aan schadeclaims. Het is een specifiek probleem van de overgangsperiode, die gebruikt zal moeten worden om bestaande plannen langzaam om te vormen. Men zal moeten investeren in kwaliteit in plaats van kwantiteit. Daarbij zullen flinke voorinvesteringen nodig zijn, we kunnen grote delen van Nederland niet aan hun lot overlaten.

Onderzoek naar potenties Noord-west Friesland voor versterken van identiteit (afb. uit publicatie Ruimte maken voor Krimp)

Terwijl in de studie al ontwerpplannen worden gemaakt, is er ondertussen een discussie gaande over wie nu eigenlijk verantwoordelijk is voor het beleid. Het lijkt mij overduidelijk dat dit een landelijk fenomeen is met landelijke consequenties, dat de aandacht van Den Haag nodig heeft. Krimp in het ene gebied is onlosmakelijk verbonden met groei in het andere. De wereldeconomie wordt niet meer zozeer uitgemaakt door landen, maar door stedelijke agglomeraties met een sterk netwerk. De landelijke politiek richt zich vooral op de Randstad, hier staat immers een groot nationaal belang en een internationale concurrentiepositie op het spel. Maar juist deze eenzijdige focus is deel van het probleem. Het kan niet zo zijn dat de neveneffecten van dit beleid op het bord van de lokale besturen, die vaak de middelen ontberen, wordt geschoven. Dus naast een Grootstedenbeleid is er de noodzaak van een krachtig ‘buitengebiedenbeleid’. Ik denk dat we opnieuw moeten leren ´polderen´ voor krimp, alle hoofden moeten dezelfde kant op waardoor er integrale oplossingen bedacht kunnen worden.

Vraag is zelfs of hier niet een goede kans ligt voor Europa. Krimp treedt veelal op in perifere regio’s, dus in de grensgebieden. Zoals Zuid-Limburg dat grenst aan België en Duitsland en samen met Luik en Aken een internationaal stedelijk gebied vormt. Te denken valt ook aan Zeeuws Vlaanderen, dit ligt ver verwijderd van de Randstad, maar grenst aan Antwerpen, Gent en Brugge. Klaarblijkelijk spelen landsgrenzen nog een te sterke rol en worden mogelijke potenties hierdoor over het hoofd gezien. Europese aandacht zou dit kunnen doorbreken en veel meer middelen mogelijk maken, waardoor de overlevingskansen van grensgebieden worden vergroot.

Terugkijkend op de studie van het Ontwerplab Krimp is een goede stap gemaakt in het aanwijzen van het probleem en het illustreren van concrete mogelijkheden om lokaal de klap op te vangen. De ontwerpvoorstellen gaan nog niet in op de financiële kant en zijn in sommige gevallen eigenlijk niet specifiek krimpgerelateerd, zij proberen vooral de gebieden door herwaardering van lokaliteiten meer herkenbaarheid te geven. Misschien is het belangrijkste effect van de studie niet zozeer het vinden van directe oplossingen, maar het vestigen van de aandacht op het onderwerp. De bal ligt nu bij de landelijke politiek die met maatregelen moet komen. Minister Eberhard van der Laan (wonen, wijken en integratie) is goed op de hoogte van de situatie, maar ook andere departementen zullen moeten participeren in het herstel van de toekomst.