Feature —

Antonio Cruz over bouwen in Nederland

Jelk Kruk

Op donderdag 7 mei gaf Antonio Cruz van Cruz y Ortiz, de architect van het Rijksmuseum, een lezing in de serie Ambacht@NAi. Met de discussie over de toekomst van Europa nog vers in het geheugen – waarbij het niet meer ongewoon is om elkaar voor xenofoob of knettergek uit te maken – was het aardig om eens te beluisteren of Europese cultuurverschillen ook fricties opleveren in het bouwproces.

Cruz in het NAi (foto: Jelk Kruk)

In zijn lezing The Life of the Projects illustreert Antonio Cruz met drie grote projecten hoe hij als Spaanse architect aankijkt tegen een bouwpraktijk die wij Nederlanders als gewoon ervaren. Het werk van een architect wordt in Nederland gecompliceerd en gefrustreerd door de invloed van vele partijen en het gebrek aan verantwoordelijkheid. In Spanje, vertelt Cruz, hebben architecten meer macht, maar ook meer verantwoordelijkheid.

Het Nieuwe Rijksmuseum
In 2001 won het bureau Cruz y Ortiz de competitie voor het Nieuwe Rijksmuseum. Essentieel onderdeel van het winnende plan is volgens Cruz de nieuwe entree, die hij op de plek plaatst waar in de oude situatie de fietstunnel het gebouw doormidden snijdt. Het plan leidde tot veel protest, omdat de centrale entree de ruimte voor het fietspad ongeveer zou halveren. De gemobiliseerde Amsterdammers vonden de fietserstunnel, die stadsdeel Amsterdam-Zuid met de binnenstad verbindt, belangrijker dan de creaties van Cruz y Ortiz en de kunst die hiermee moest worden ontsloten.

In alternatieven werd meer ruimte voor fietsers voorgesteld en kwam de fietsroute links of rechts, of links en rechts. Maar met de oplossing in zicht, ontstond kritiek dat nu de ruimte voor de voetgangers in het gedrang kwam. Cruz stond voor een onmogelijke opgave: hij moest zijn nieuwe entree maken zonder ruimte in te nemen.

Dit alles opgeteld bij het Nederlandse poly-loketisme werd het Cruz bijna te veel, en overwoog hij te stoppen met het project. In Nederland, zo betoogt hij, moet je werkelijk met iedereen praten, terwijl niemand de verantwoordelijkheid durft te nemen. Je moet vechten met de directeur, de welstand, het stadsdeel, de gemeente, het ministerie, de belangengroepen – en dan ben je er nog steeds niet. In 2001 won hij de prijsvraag, en nu, drie directeuren, drie projectmanagers en acht jaar later, is het nog steeds niet klaar.

Het Atletiekstadion in Madrid
In Spanje gaat dat allemaal veel makkelijker, lijkt Cruz te willen zeggen. Zijn ontwerp voor het Olympisch atletiekstadion in Madrid werd binnen vijf jaar gerealiseerd, terwijl het ook daar om een complexe opgave ging. In 1989, toen Spanje kandidaat was voor de zomerspelen, deed Cruz y Ortiz mee aan de competitie. Het stadion zou na de spelen de thuisbasis worden van voetbalclub Atlético Madrid. Deze toekomstige functiewijziging was een belangrijk onderdeel van de prijsvraag. Geïnspireerd door een Duits handboek over constructies en overspanningen ontwierp hij een stadion, waarbij de 20.000 toeschouwers aan een kant kwamen te zitten. Aan de lege kant en op het veld zelf kon het stadion dan uitbreiden voor 53.000 extra toeschouwers.
 
De Olympisch Spelen kwamen toen niet naar Spanje, maar nu de spelen in 2016 er misschien toch naartoe komen, is Cruz bezig met de tegenovergestelde vraag. Hoe maak je van een voetbalstadion een Olympisch stadion?

Cruz Y Ortiz' torens voor Rotterdam, inmiddels vier stuks, rechts vooraan (bron: Kop van Zuid, Rotterdam)
Cruz Y Ortiz’ torens voor Rotterdam, inmiddels vier stuks, rechts vooraan (bron: Kop van Zuid, Rotterdam)

Havana in Rotterdam
En dan weer terug naar Nederland, waar Cruz met Siza aan de Wilhelminapier in Rotterdam drie torens mocht ontwerpen, aan de hand van een uitgewerkt stedenbouwkundig plan. Terwijl hij met het ontwerp bezig was, veranderde de opdracht echter voortdurend. Tijdens zijn verhaal vraag je je af hoe het plan in hemelsnaam tot stand is gekomen. Je zou denken dat bij dergelijke projecten, met veel impact op de stad, met grote risico’s en investeringen, er een nauwkeurige belangenafwegingen wordt gemaakt, voordat een architect wordt ingehuurd om een project uit te werken. Maar juist hier lijkt door verkeerde afwegingen of willekeur het stedenbouwkundig plan erg beweeglijk en veranderen de opgaves voor de te ontwerpen torens in hoogte, aantal, vorm en compositie.

Soms lijkt het of Cruz in zijn lezing spijkers op laag water zoekt, als je bedenkt dat het de taak van de architect is om te onderzoeken en te sturen op het programma van zijn ontwerp. Daarnaast kun je je afvragen of het verstandig is van het Rijksmuseum om, als onervaren opdrachtgever, een architect in te huren die niet bekend is met de lokale bouwcultuur. Maar als je bedenkt dat de planwijzigingen in Rotterdam helemaal niet het gevolg zijn van nieuwe inzichten die tijdens het ontwerpproces ontstaan, maar vooral afhangen van het draagvlak voor de stedenbouwkundige visie en het programma van eisen, dan heeft hij wel een punt.

Maar, besluit Cruz, de opgave voor ons architecten bestaat er uit alle invloeden een plaats te geven bij de vormgeving van een gebouw. En, zo voegt hij er niet helemaal overtuigend aan toe, als dat uiteindelijk lukt, dan wordt het resultaat er alleen maar rijker van.