Nieuws —

Bij nader inzien: kantoortuin DHV

Piet Vollaard

De kantoortuinen, de kantoorlandschappen, of hoe de verschillende varianten van de radicaal open kantoren van de jaren zeventig ook mogen heten, zijn al lang weer verbouwd volgens de latere kantoorinrichtingmodes. Allemaal? Nee, eentje houdt dapper stand. Het hoofdkantoor van DHV, de eerste echte kantoortuin in Nederland, functioneert nog steeds zoals bij de opening in 1970 is bedoeld, en zal ook na een geplande renovatie als kantoortuin blijven functioneren.

Het concept kantoortuin of kantoorlandschap stamt al van de late jaren 50. Het Quickborner Team, een Duits adviesbureau dat nog steeds bestaat, lanceerde eind jaren vijftig de termen Grossraum en Bürolandschaft. Het idee was deels gebaseerd op rationele kantoorconcepten uit de Verenigde Staten, maar kende tevens een eigen, gemoderniseerde legitimatie die was gebaseerd op nieuwe inzichten in de organisatietheorie. In zijn meest simpele definitie is een kantoortuin een open kantoor zonder muren waarbij zowel de bezetting als de configuratie van de verschillende werkplekken, al of niet groepsgewijs geschakeld, gemakkelijk kan worden veranderd. Waar het Amerikaanse open kantoor grotendeels bestond uit lange, ‘ge-Tayloriseerde’ rijen werkplekken (nu nog steeds in zwang als het ‘cubicle office’ of minder vleiend: de ‘cube-farm’) stond het Noord Europese model een meer democratische en egalitaire opzet voor ogen.
Hoewel ook in dit kantoortuinmodel een verbetering van efficiency voorop stond (en er natuurlijk sprake was van een enorme winst ten aanzien van het benodigde aantal vierkante meters per werknemer), werd het model toch gemixt met ideeën als een niet-hiërarchische omgang tussen staf en personeel, een verbeterde uitwisseling van ideeën onderling en een grotere flexibiliteit. De kantoortuin zou bedrijven efficiënter en – het werd nooit zo uitgesproken, maar de gedachte was er wel degelijk – werknemers gelukkiger maken.

Ook in Nederland kwam het concept langzamerhand in zwang. Het architectuurtijdschrift Plan wijdde er in 1971 een compleet themanummer aan vol theorie, maar nauwelijks voorzien van praktische voorbeelden. Hoewel de teksten deels kritisch van aard waren, klonk er toch veel optimisme door. Exemplarisch is een citaat van interieurontwerper Kho Liang Ie: “De optimale zin van een kantoortuin wordt bereikt wanneer er sprake is van een socialistische doorbraak, waarbij het ‘personeel’ mede-eigenaar van de organisatie wordt.” Herman Hertzberger spreekt in hetzelfde nummer over de inherente, haast fascistische aard van het kantoorwerk, die met een kantoortuin misschien niet zou worden weggenomen, maar dan wel verzacht. Hertzberger was op dat moment net begonnen aan het ontwerp voor Centraal Beheer, dat – ten onrechte  mijns inziens – vaak wordt gezien als hét voorbeeld van een kantoortuin. Daarvoor is de structuralistische indeling echter veel te weinig open en flexibel. (NB: dat gebrek aan flexibiliteit blijkt onder meer uit het feit dat er bij vertrek van de oorspronkelijke gebruiker eigenlijk nauwelijks nog een nieuwe functie of gebruiker te vinden is)

Nee, het enige Nederlandse voorbeeld dat toen kon worden genoemd, en nog steeds de meest zuivere uitwerking van het idee in ons land, was het hoofdkantoor van adviesbureau DHV in Amersfoort dat het bureau in samenwerking met architect D. Zuiderhoek eind jaren zestig had ontworpen en waarvan de eerste twee delen in 1970 werden opgeleverd (bouwdeel A en B, bouwdeel C volgde enige jaren later).
DHV als bedrijf was bij uitstek geschikt voor het concept kantoortuin. Het Quickborner Team had al in de jaren vijftig een diagram gepubliceerd waarbij duidelijk werd dat een kantoortuin vooral meerwaarde had bij organisaties met een lage bureaucratie (ofwel een weinig uitgesproken differentiatie) in combinatie met een hoge interactie tussen werknemers. DHV voldeed aan die karakteristiek. De nieuwbouw verving een groot aantal kleinere vestigingen. Samenwerking en een projectmatige productie gedijden beter in een kantoortuin.

Het kantoorgebouw van DHV is mooi landschappelijk gelegen, is in totaal ca 20.000 m2 groot, en bestaat uit twee of drie vloeren per bouwdeel die onderling een halve verdieping ten opzichte van elkaar zijn verschoven en zijn gescheiden door een vide-zone die als een canyon door het landschap loopt. De plattegronden zijn gebaseerd op een zeshoekig raster (ook in dat opzicht is het gebouw helemaal van de jaren 60/70) zodat de gevels meanderend langs de vloerranden lopen. Hoewel de centrale vide op de plattegrond nogal bescheiden lijkt, is de sfeer bij binnenkomst aangenaam ruimtelijk, en inderdaad ‘landschappelijk’. De werkvloeren zijn nog steeds echte, totaal open vloeren, slechts onderbroken door cilindrische trap/toiletunits. Het beeld van de groepsgewijze ordening van bureautafels, hier en daar wat kasten en planten, verschilt vandaag de dag nauwelijks van de foto’s die bij de oplevering zijn gepubliceerd.

En dat mag op zijn minst opmerkelijk worden genoemd. Want na een aanvankelijke euforie, volgde al snel toenemende kritiek op de kantoortuin. Te lawaaiig, te chaotisch, al snel te vol, moeizame klimaatbeheersing, et cetera. DHV heeft al deze problemen weten te omzeilen, waardoor de adviseurs nog steeds met alle plezier in de oorspronkelijke open setting werken. Dat dit niet zo maar een soort van hardnekkig vasthouden aan oude principes is (en waarom zou een modern, goed lopend bedrijf als DHV ook), blijkt uit de renovatieplannen die voor het gebouw zijn gemaakt. Aan de kantoortuinopzet wordt niets gewijzigd, wellicht komt er iets meer ruimte voor flexwerken, iets meer stilteplekken, maar dat is het dan wel. Alleen de enkelglas-gevel en de daaraan gekoppelde fan-coilunits voldeden niet meer aan hedendaagse eisen. Begin 2005 is de beslissing genomen deze te vervangen en wel zodanig dat het kantoor na renovatie aan de hedendaagse nieuwbouweisen eisen van duurzaamheid voldoet. Uit verschillende varianten Van DHV architect Roel Brouwers is uiteindelijk gekozen voor een volglazen gevel met binnenzonwering, waarbij de borstwering met fancoil-units is vervangen door inductie-units aan het plafond. Mede door een verbeterde isolatie van het dak en zaken als benaderingsensoren voor de verlichting voldoet het gebouw aan het hoogste energielabel. De verbouwing wordt de komende jaren in fasen uitgevoerd.

Het ‘oude’ kantoor van DHV, op zichzelf haast een monument voor een historische kantooropvatting, blijkt zowaar nog springlevend. Nog 12 jaar volhouden en het gebouw komt in aanmerking voor een Rijksmonumentenstatus. Het lijkt alsof het concept zichzelf heeft overleeft, want opvallend genoeg beginnen ideeën over open, flexibele ruimten ook weer door te dringen in de ontwerpen van jonge architecten. Kijk bijvoorbeeld maar eens naar een aantal ingezonden plannen voor een nieuw gebouw voor Bouwkunde: de kantoortuin is terug (althans in het ontwerp).
Misschien daarom nog even een waarschuwing. Ja, de kantoortuin werkt, maar alleen (en daar waarschuwde het Quickborner Team al voor) bij een specifiek soort dynamisch, horizontaal en projectmatig georganiseerd bedrijf zoals DHV (of een architectenbureau). Maar deze voorwaarde kan niet worden omgedraaid en tot ‘resultaat’ worden gebombardeerd. Een hiërarchisch georganiseerd bedrijf (en hiërarchie is niet vreemd aan het onderwijs) wordt niet automatisch open en ’democratisch’ door zich in een kantoortuin te vestigen. In tegendeel zelfs, de mogelijkheden voor controle en sturing zijn in een kantoortuin immers hoger dan in een traditioneel cellenkantoor.