Feature —

Landschap van Almere: hoe nu verder?

Karen Heijne

Op 19 september 2007 vond er een unieke bijeenkomst plaats in het huis Polderblik van Teun Koolhaas, één van de peetvaders van Almere. Hij was reeds geruime tijd ernstig ziek en wilde als grondlegger van de stad nog een belangrijke boodschap meegeven aan de nieuwe generatie stedenbouwers en landschapsarchitecten. De oorspronkelijke plannenmakers ontwikkelden een Groene Kaart van Almere, deze moest dienen als overdrachtsdocument aan de nieuwe generatie en kreeg de titel The changing of the guards. Tijdens het gelijknamige symposium op 19 juni j.l. werd gediscussieerd over de geformuleerde uitgangspunten en de mogelijke toekomstige ontwikkelingen in relatie tot het groen-blauwe raamwerk van Almere.

Ontwerp structuurplan uit 1976 van Teun Koolhaas Associates.
Ontwerp structuurplan uit 1976 van Teun Koolhaas Associates.

Almere staat aan de vooravond van een nieuw hoofdstuk in haar bestaan. De vanuit het Rijk gestelde opgave is een enorme schaalsprong en wordt verwoord in Almere 2030+. Concreet houdt het in dat de stad in twintig jaar tijd moet verdubbelen van 180.000 naar 350.000 inwoners met de bijbehorende voorzieningen. Geen simpele opgave. Op 26 juni j.l. is de Concept Structuurvisie Almere 2.0 gepresenteerd aan de ministers Cramer en Eurlings. In oktober volgt de besluitvorming waarbij met name de noodzakelijke aan te leggen infrastructuur een heet hangijzer vormt. Zonder goede verbindingen met de regio en de rest van het land kan Almere niet groeien, stelt wethouder Adri Duivesteijn. De visie op de groen-blauwe structuur van Almere maakt onderdeel uit van de structuurvisie Almere 2.0.
Twee weken voor zijn overlijden droeg Teun Koolhaas de fakkel over aan een nieuwe generatie die doordrongen is van de urgentie dat het erfgoed van de stad moet worden bewaakt. Reden voor architectuurcentrum CASLa om het symposium The changing of the guards te organiseren.

Op initiatief van Teun Koolhaas kwam een groep van twaalf mensen bijeen in zijn huis op de Realiteit in Almere. Onder hen bevonden zich onder meer oud-collega’s uit de periode van het Projektburo. Het Projektburo was een multidisciplinaire werkgroep die in 1972 werd ingesteld door de RIJP (Rijksdienst IJsselmeerpolder) om Almere te ontwikkelen en vorm te geven. Het doel van de bijeenkomst was om de essentie van de groene stad Almere vast te leggen en een start te maken met een groen-blauwe kaart die de uitgangspunten en kaders moest beschrijven. Het document moest niet conserveren, maar diende juist om flexibiliteit in te bouwen en daarmee de ontwikkeling en het oorspronkelijke karakter van Almere vast te leggen voor de toekomst. Uitkijkend over het water van de Noorderplassen kreeg het idee van een Groene Kaart steeds meer vorm en werd er een begin gemaakt met de wisseling van de wacht.

Karakteristiek aan Almere is de opzet als een meerkernige stad in het groen met een suburbaan karakter. De nieuwe stad diende als overloopgemeente van Amsterdam, Utrecht en het Gooi, de ruimtelijke configuratie, laagbouw aan grachten en groene hoven, was een reactie op de hoogstedelijke bouwblokken van de Bijlmermeer. Op het symposium gaf peetvader en landschapsarchitect Jan Wouter Bruggenkamp aan de hand van de tekening van het Ontwerp Structuurplan uit 1976 een toelichting op de oorspronkelijke kaders van de stad. Een ontwerp dat ons overigens naast de vijf geplande kernen ook de IJmeerverbinding en het buitendijks bouwen bij Pampus al laat zien.

Landschapsarchitect Ivonne de Nood lichtte vervolgens namens de nieuwe generatie de structuurvisie Almere 2.0 in het kort toe. Vanwege het thema van het symposium zoomde zij vooral in op het blauw–groene raamwerk en dat was jammer, want kennis van de gehele schaalsprong had een beter zicht op de uitgangspunten van de groenvisie kunnen geven. Zoals oud-stedenbouwkundige Thijs Gerretsen opmerkte; de groei van de stad moet als totaal worden gezien, voorzieningen zijn afgestemd op een wijk, op de bevolkingssamenstelling en dichtheid. Zo is het ook met de groenvoorzieningen, je kunt het niet los van elkaar zien.

De uitgangspunten van de ontwerpvisie uit 1976 en de uitgangspunten van Almere 2.0 lijken veel met elkaar gemeen te hebben. Aanbevelingen over deelaspecten uit de oorspronkelijke ontwerpvisie worden misschien niet altijd opgevolgd – zo is de ontwikkeling van het stadsdeel Almere Poort volgens de oude garde veel te vroeg ingezet – maar de hoofdlijnen komen overeen. Ook in Almere 2.0 blijven de kernen van Almere een sterk uitgangspunt en heeft het plan voldoende flexibiliteit om de groei van de stad goed te kunnen faciliteren. De nieuwe structuurvisie steekt in op een ontwikkeling naar zowel Amsterdam als naar Utrecht, met in het eerste geval een grootstedelijk karakter en in de toekomst buitendijks bouwen en in het tweede geval een sterk landelijk karakter.

Tijdens de discussie bleek dat beide partijen het in grote lijnen met elkaar eens zijn, maar eveneens bleek dat daarmee het groene erfgoed van Almere nog niet is veilig gesteld. De groenstructuur van Almere is in de pioniersfase opgebouwd en bestaat voornamelijk uit kwantitatief groen, als een groen decorstuk met snelgroeiende populieren. De stad heeft zich de afgelopen dertig jaar fors ontwikkeld en vraagt nu om kwaliteit.
Uit de zaal deed een groenbeheerder een noodoproep. Hij vroeg om een concreet plan van aanpak voor de groengebieden, een leidraad bij het ontwerp zodat hij weet hoe hij te werk kan gaan en uit welke middelen hij kan putten. Een serieus punt van aandacht dat door praktisch alle deelnemers aan de discussie wordt onderschreven.  
Een andere bedreiging vormt het rood. Henk Mulder, directeur van de Dienst Stedelijke Ontwikkeling (DSO), pleitte in zijn verhaal voor het toelaten van rood in het groen. Door passende bebouwing toe te laten in de groengebieden en recreatie te intensiveren los je beheersproblemen volgens hem vanzelf op. De gebieden krijgen een hogere belevingswaarde en doordat ze meer worden gebruikt wordt er meer draagvlak gecreëerd.
Een andere bedreiging werd onder woorden gebracht door landschapsarchitect Kees Hund. Hij uitte zijn zorgen over de daadkracht om huidige beslissingen voor de toekomst te bewaken. In de tijd van de RIJP was er sprake van een zekere dictatuur. Daarnaast kon het Projektburo integrale opdrachten aan omdat het bestond uit vele vakdisciplines, ook die situatie bestaat niet meer. Nu zijn er meerdere lagen in de organisatiestructuur en dus meer belangen. Hoe waarborg je de kaders?

Het symposium maakte duidelijk dat er dringend behoefte is aan meer inhoudelijke verdieping en terugkoppeling. Het belang van de oproep van Teun Koolhaas is duidelijk geworden, al blijkt het onderwerp zelf nog moeilijk tastbaar te maken. Daarom kan het hier niet bij blijven, de discussie moet verder gevoerd worden.