Feature —

Het Nieuwe Erf: het boerenerf revisited

Angela Sondervan

Oud worden in een klein dorp is in Nederland geen vanzelfsprekendheid. Vooral op het gebied van de zorg ontbreken veelal geschikte voorzieningen, terwijl ouderen het liefst in hun vertrouwde omgeving willen blijven wonen. DAAD Architecten, Onix en Peter de Kan ontwikkelden het Nieuwe Erven-concept, een onderzoek naar kansen voor een zorgeloos dorpsleven. Op 8 juli werden de bevindingen van het onderzoek gepresenteerd op een drukbezocht minisymposium in Beilen.

‘Een huis in Frankrijk betekent voor mij: de buitenlucht. Hoe langer we het huis hebben, hoe minder we er in zitten. Het land, daar gaat het om, meer in het bijzonder: het erf, het eigen erf. Er is niets mooiers, vind ik, heb ik ontdekt, dan een erf; een stuk land rond een huis met wat schuren, struiken, bomen, een oude caravan, een waterput, een konijnenhok, een waslijn, een schommel, een boom met een hut erin, een partij rommel en links en rechts een muurtje. Een erf geeft het leven zin.’ Aldus wijlen Martin Bril in De Franse slag (Uitgeverij 521, 2004, p. 10).

Het eigen erf was voor Bril een onweerstaanbaar bezit dat hem, ongeacht of het zich in ordelijke dan wel wanordelijke toestand bevond, een ultiem geluksgevoel bezorgde. De combinatie van wonen en werken op een en dezelfde plek, waar formaliteit en informaliteit samenkomen appelleert aan gevoelens van vrijheid, aan onbegrensde mogelijkheden, aan pionieren. Haiko Meijer (Onix) en Rob Hendriks (DAAD) en Peter de Kan (Dékan) delen de fascinatie van Martin Bril voor het erf, meer precies in de omgang met het boerenerf in kleine dorpen. Steeds meer boeren leggen hun werkzaamheden neer, waardoor steeds meer erven hun oorspronkelijke agrarische functie verliezen. Tegelijkertijd wil een groeiende groep ouderen, met een reële zorgvraag in het verschiet, het liefst in hun vertrouwde omgeving blijven wonen. In de praktijk moeten zij vaak noodgedwongen uitwijken naar de grotere kernen, omdat alleen daar woonzorgcomplexen worden gebouwd en de benodigde zorg wordt geboden. De sociale impact hiervan wordt gemakshalve vergeten. Deze impasse noopt volgens Onix en DAAD tot serieus onderzoek naar de mogelijkheden voor een ‘zorgeloos gelukkig dorpsleven’. Daar komt bij dat Haiko Meijer kritisch is over de huidige gehanteerde nieuwbouwtypologieën van woonzorgcomplexen, die volgens hem veel van de karakteristieken van een dorp wegnemen. Met een foto van het ouderencomplex in de dorpskern van Roden illustreerde Meijer zijn onvrede.

Het Nieuwe Erven-onderzoek is volgens Rob Hendriks vooral een zoektocht naar alternatieve woonvormen op het boerenerf. Een typologie die beantwoordt aan de wensen en behoeftes van ouderen, zodat zij aan het einde van hun leven in hun vertrouwde dorpsomgeving kunnen blijven wonen. Nieuwe en diverse vormen van collectiviteit kunnen eveneens een ruimtelijke bijdrage leveren aan de sociale cohesie in een dorp. Het erf leent zich daar bij uitstek voor, het kan als korrel en als fenomeen programmatisch – met (zorg)voorzieningen en ruimte voor ontmoeting – zeer rijk uitpakken voor de dorpsgemeenschap. Daarbij biedt het erf in haar rommelige gedaante een blijvende zachte overgang tussen publiek en privé, zo eigen aan een dorp, die hekwerken en camera’s overbodig maakt door de sociale controle die er heerst.

In het onderzoek is bewust gekozen voor een bottum-up benadering. De afgelopen maanden trokken Onix, DAAD en Peter de Kan met de Nieuwe Erven-keet langs verschillende dorpen in Midden Drenthe. Door gesprekken te voeren met dorpsbewoners konden specifieke woonwensen worden geïnventariseerd. Met een spel werden zij gestimuleerd om na te denken over kleinschalige zorgarchitectuur in hun omgeving, waaruit later persoonlijke bestemmingsplannen konden worden samengesteld. Onix en DAAD hebben vier ruimtelijke modellen uitgewerkt waarin schetsmatig is aangegeven hoe het Nieuwe Erf kan worden bewoond.

Onder leiding van Peter Michiel Schaap van Platform Gras werd de keettoernee op 8 juli afgesloten met een klein symposium. Gezeten op hooibalen luisterden de deelnemers – architecten, stedenbouwers, beleidsmedewerkers, landschaparchitecten, mensen werkzaam in de zorg en betrokkenen in de cultuurhistorische sector – eerst naar een presentatie van de bevindingen van het Nieuwe Erven-onderzoek. Vervolgens dienden de aanwezigen een keuze te maken uit acht stellingen. Bijvoorbeeld ‘Collectieve zorg is een onontgonnen terrein, Het Nieuwe Erf biedt uitkomst’ of ‘De markt reageert te traag op een vraag. Het verzilveren van de ontwikkelpotenties van een Nieuw Erf vraagt om een scherpe blik en een veel voortvarender aanpak. Hoe zou deze eruit kunnen zien?’. Zo vormden zich acht groepen om over de gekozen stellingen te discussiëren, waarna gezamenlijk een terugkoppeling plaatsvond. Dit was een slimme zet: in een kleine groep en in een meer informele setting durft men makkelijker te spreken.

Ik nam deel aan discussie over de stelling ‘Het platteland zit op slot. Gemeentelijk, provinciaal en rijksbeleid zet in op conservering en frustreert daarmee de ontwikkeling en dynamiek van het platteland. Dit staat de ontwikkeling van Nieuwe Erven in de weg’. Mijn keuze was vooral ingegeven door het verhaal van Anne Hilderink, zij had verteld over haar betrokkenheid bij Stichting St. Jan in Kloosterburen en had zich opgeworpen als voorzitter van het groepje. St. Jan is een kleinschalig, particulier initiatief dat een rijksmonument wil herontwikkelen tot een woonvorm voor gehandicapten, ouderenzorg, seniorenwoningen. Een project dat niet alleen belangrijk is voor de toekomstige bewoners, maar vooral ook voor de ontwikkeling van het dorp. Hoewel de vooruitzichten rooskleurig waren en het project zich in een vergevorderd stadium bevond, stond alles abrupt stil na het wegvallen van de zorginstelling als partij, waarna ook de gemeente haar handen van het project aftrok. Dit verhaal over de starheid van overheden en instanties stond niet op zich zelf, bleek al gauw in ons groepje. Onze conclusie was dan ook dat het platteland leeft, maar dat de overheid op slot zit, veelal door een gebrek aan kennis en een (soms) autoritaire beslissingsbevoegdheid.
Ook uit de andere groepjes bleek aan het eind van de avond de roep om kennis bij alle partijen groot te zijn. Geen romantisch idealisme dus, maar een scherpe blik en een voortvarende aanpak zijn onontbeerlijk.

Wat betekent dit alles voor het Nieuwe Erf? De vraag of het model als nieuwe collectieve kern van een dorp kan fungeren bleef onbeantwoord. Onix en DAAD presenteerden dan ook geen af concept, maar een zoektocht naar alternatieven. Het Nieuwe Erven-onderzoek maakt inzichtelijk dat met een klein collectief initiatieven kunnen worden ontplooit, maar ook dat dit niet eenvoudig is. Het oprichten van een (zorg)coöperatie biedt uitkomst; een gemeente zal deze eerder serieus nemen als gesprekspartner.

Onix en DAAD hebben gekozen voor een participatieve verkenning van de werkelijke vraag van ouderen. Het is goed mogelijk gebleken om op basis van de reacties van dorpsbewoners alternatieven en varianten te ontwikkelen voor collectieve bewoning van het Nieuwe Erf. Tegelijkertijd moeten architecten veel meer gaan nadenken over toekomstige ontwerpopgaven en de ruimtelijke implicaties van hun ideeën onderzoeken. Met het Nieuwe Erf is alvast een sterk begin gemaakt.